Achtergrond verhaal bij Tentoonstelling ‘Echt Waar?’ in F&S museum

Van 8 november 2019 tot en met 22 maart 2020 is er in het Flipje en Streekmuseum de expositie ‘Echt Waar?’ naar aanleiding van het vervalste Gulden Vlies.

Willem van den Haak uit Noordwijk maakte een achtergrondverhaal over de vinder.

Het is niet al goud, wat er blinkt

Tekst en illustraties Willem van den Haak.

Als Justus von Liebig de kunstmest niet had uitgevonden, die vanaf 1908 op steeds grotere schaal geproduceerd kon worden, had Rudolf Steiner in 1924 waarschijnlijk niet zijn voordrachten gehouden die nu gezien worden als de basis van de biologisch-dynamische landbouw. En dan had Noordwijker Willem van Duijn zich misschien eind jaren 60 niet ingeschreven bij de Warmonderhof, een biologisch-dynamische school, om hier te studeren op biologische en duurzame landbouwmethoden. En dan had Willem ook niet het bijzondere kleinood gevonden waar het in het hierna volgende verhaal allemaal om draait. Een kleine vondst met een geweldige geschiedenis, spannend als een jongensroman.

Eigenlijk hoort tussen Rudolf Steiner en Willem van Duijn nog een schakel: Klaas de Boer (1911-2002). Deze ontpopte zich tijdens zijn leven als de grote pionier van de biologisch-dynamische landbouw in Nederland. In 1941 begon hij een eigen tuinderij op het landgoed van de familie Menten in Warmond. Zeven jaar later startte hij hier, op Teylingerhof, een klein schooltje waarin les gegeven werd in biologisch-dynamische landbouw. Het kleine schooltje werd groot, kreeg de naam Warmonderhof en eind jaren zestig kwamen er zoveel leerlingen dat omgezien werd naar een nieuwe locatie. Die werd gevonden op de buitenplaats Thedinghsweert in Kerk Avezaath. In 1968 schonk de eigenaresse van dit landgoed, Itty Verhoeff-van Beuningen, het huis met opstallen, en later nog bouw- en weiland, aan de ‘Stichting Warmonderhof’. Drie jaar later verhuisden de inmiddels meer dan 200 leerlingen naar Thedinghsweert, gelegen aan de Linge in het buitengebied van de gemeente Tiel in de Neder-Betuwe.

Willem van Duijn

En onder hen bevond zich de toen 19-jarige Willem van Duijn. Willem had zich in Noordwijk al doen kennen als een echte natuurliefhebber en actief vogelaar. Ook hier, in de omgeving van Tiel, trok hij er vrijwel elk weekend met een stel medestudenten op uit om de omgeving te verkennen, de natuur te ontdekken en wie weet wel niet wat voor avonturen te beleven. Willems’ aandacht ging vooral uit naar vogels en dierenskeletjes. In deze contreien vonden de jongens veel oude ruïnes die vooral bij slecht weer een bijzondere aantrekkingskracht uitoefenden. Zo ook die ene keer dat zij, op een verboden terrein, een oude vervallen toren binnengingen. Willem zag tussen een paar vloerplanken een klein metalen voorwerp blinken. Op een of andere manier intrigeerde het hem en hij stak het in zijn broekzak. Weer een trofee, al wist hij niet precies wat het voorstelde; het was een ram die nogal ongelukkig aan een riem hing. Hij nam het mee naar huis en … het raakte in de vergetelheid.

Na het afronden van zijn studie vertrok hij eind 1975 als vrijwilliger naar Afrika om daar zijn kennis van land- en tuinbouw met de Rwandese bevolking te delen. Zijn werk bracht hem achtereenvolgens in Rwanda, Kenia, weer terug in Rwanda en tenslotte in Zimbabwe. Willem kreeg in Kenia een zoon die hij Joël noemde. In 1990, na 15 jaar werk, goede momenten, maar ook veel ontberingen kwam hij ziek terug naar Nederland, naar zijn ouderlijk huis in Noordwijk waar hij in 1992 overleed.

Dick van Duijn

Willem had een twee jaar oudere broer; Dick. Ook Dick was na het afronden van zijn studie Werktuigbouw in 1977 als vrijwilliger naar Afrika vertrokken, naar Tanzania. Hier vond hij werk, eerst voor een Duitse firma, later voor Buitenlandse Zaken, in de dorpswatervoorzieningen en in, zoals Dick het noemt, de kleine industrie. In dit land trouwde hij en kreeg 5 kinderen. Voor de Verenigde Naties kwam hij ook te werken in Somalië, in een pompreparatiewerkplaats. En nóg veel meer kreeg hij van de wereld te zien, onder andere op de Salomonseilanden, waar hij ook in de kleine industrie werk vond.

In hetzelfde jaar dat Willem terugkeerde in Noordwijk, 1990, kwam ook Dick terug op zijn oude nest. Ditmaal met zijn Tanzaniaanse vrouw en 5 kinderen. Zijn vrouw keerde echter na ca. 8 maanden terug naar Tanzania waar zij in 1992 overleed, in hetzelfde jaar dat Dicks broer Willem overleed. Dick vond reeds een maand na terugkomst een baan bij Defensie, pijpleidingen, maar hij bevond zich nu op alle fronten in een alles behalve gemakkelijke situatie.

Begin 1993 vroeg Dicks’ vader of hij het schuurtje nu eens zou willen opruimen. Dick deed dat en vond op zolder een bak met oude scharnieren, geoxideerde koperen rommel en daartussen één dingetje wat er nog fris en onaangetast uit zag; een klein glimmend hangertje. “O ja”, dacht Dick, “dat heeft Willem ooit gevonden in Thedingsweert. Het ziet er wel leuk uit, ik zet het in de vitrine in de kamer”. Hij mikte het eerst nog in de wasmachine en later gaf hij het nog eens een flinke poetsbeurt met Brasso. Maar na verloop van tijd was Dick het dingetje zat, telkens als iemand thuis met de deuren sloeg viel het op de grond. Hij zette het te koop op Via Via en op Marktplaats maar er kwam geen enkele reactie op. En het was nog wel zo’n mooi hangertje; een hangende ram, aan een kant een beetje afgesleten, misschien was het wel echt goud… Ondanks een lichte twijfel zette Dick het op Ebay en dat leverde dit keer snel een reactie op; een Amerikaan bood 130 dollar. Wacht maar, dacht Dick, aan het einde van de biedingsperiode schiet de prijs nog wel omhoog. Maar dat gebeurde niet en aan het eind van het liedje stopte Dick het hangertje tussen twee kartonnetjes, een paar enveloppen eromheen, en op de post ging het naar de U.S.A.. Maar eerst maakte hij met behulp van gips, talkpoeder en twee jampotdeksels een negatief van de hanger. Later liet hij met deze mal een zilveren afgietsel van het sieraad maken. Hij had toch het idee dat er misschien wel iets meer mee aan de hand was en hij had twijfels over de prijs waarvoor het van de hand gegaan was. Had hij zich laten beetnemen?

Dick van Duijn met zilveren afgietsel van het Gulden Vlies.

In januari 2005 vond er een ontmoeting plaats tussen Dick en de Amerikaanse antiquair. Dick vroeg om openheid van zaken en kwam nu tot het volle besef dat hij het kleinood voor een prikkie verkocht had. De nieuwe eigenaar beloofde te zijner tijd met wat geld over de brug te komen. Dick had Willems’ zoon in Kenia onder zijn financiële hoede en zou best wat extra’s kunnen gebruiken om diens studie mee te helpen bekostigen. Daar zou echter nooit iets van terechtkomen.

Vijf jaar later, in september 2010, ontving Dick een uitnodiging van de Amerikaan om aanwezig te zijn bij een lunch waarbij deze de hanger, inmiddels genoemd een ‘Gulden Vlies uit 1509-1559’, wilde verkopen aan het Drents Museum in Assen. Dicks’ verhaal moest de nodige authenticiteit geven en de vraagprijs rechtvaardigen. Uit het gesprek met de Amerikaan kon Dick opmaken dat deze het Gulden Vlies al op meer plaatsen te koop had aangeboden, onder andere in Parijs, via Sotheby’s en in Den Haag.

De verkoop aan het Drents Museum ging niet door, maar het museum kreeg het in bruikleen en stelde het van maart t/m oktober 2010 ten toon tijdens de expositie ‘Goud uit Georgië’. Dick zocht contact en kreeg de curator van het museum aan de lijn die vertelde dat het vlies van zogenaamd ‘dukatengoud’ (omgesmolten munten) gemaakt was met de bedoeling dit exclusief als draagexemplaar te gebruiken.

In september van dat jaar werd het getaxeerd door de Londense veilingmeesters James Morton en Tom Eden. Hun conclusie: Een hoog karaat gouden gegoten hanger uit de Renaissance.

Oeps!

Twee jaar later probeerde de Amerikaan het te verkopen aan het Rijksmuseum. Ook die verkoop ging niet door. Het Rijks liet een zogeheten XRF-onderzoek doen (een soort MRI-scan, maar dan voor metalen) en stuurde de eigenaar in september een rapport. De koop ging niet door omdat a. de vindplaats te onduidelijk was, en b. omdat het messing is met een goudlaagje!

Weer een jaar later, in 2013, werd het ter bruikleen aangeboden aan het ‘Flipje en Streekmuseum Tiel’. Er werd niet gerept over het rapport van Rijksmuseum. In 2014 werd het in Tiel tentoongesteld, om niet, maar het ‘Gulden Vlies’ moest van de eigenaar wel in een zwaar beveiligde vitrine met een direct lijntje naar de alarmcentrale (heeft ca. € 7000,- gekost) en verzekerd worden voor € 100.000,-.

Begin dit jaar maakte de directeur van het ‘Flipje en Streekmuseum Tiel, Alexandra van Steen, een inspectieronde langs haar schatten en ontdekte wat vreemde aanslag op het gouden vlies. Echt goud niet kan corroderen dus Alexandra riep de hulp in van conserverings- en restauratieatelier ‘Archeocare’ en al direct werd haar verteld dat het voorwerp te licht was om van echt goud te kunnen zijn. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed deed een XRF-onderzoek (!) met als conclusie: het is een koperlegering afgewerkt met goudverf.

Inmiddels is gebleken dat het een gegoten kopie van een toneelattribuut (rekwisiet) is, uit dezelfde mal waarschijnlijk als de replica die gevonden is in Parijs in de attributencollectie van ‘Bijouterie Du Spectacle’. Ook in Museum Grand Curtius in Luik bevindt zich een identiek exemplaar, uit dezelfde mal afkomstig, gemaakt in de jaren 50 van de vorige eeuw door de firma Le Blanc-Granger & Gutperle. Deze firma maakte en ontwierp voor heel de Europese toneelwereld juwelen en wapens. In juni werd een identiek exemplaar op een Franse veilingsite te koop aangeboden voor € 60,–.

In mei van dit jaar is het, om eventuele problemen te voorkomen, op professionele wijze teruggestuurd naar de U.S.A. voor ca. € 3000,-. De eigenaar zegt nog steeds ‘overtuigd’ te zijn van de echtheid en beweert dat Alexandra van Steen meer verstand heeft van jam. Alexandra bereidt nu een tentoonstelling voor over nepkunst.

Gulden vlies uitgereikt aan Claes Vijgh

De gouden hanger zou in 1559 door koning Filips II aan ridder Claes Vijgh, ambtman van Tiel, geschonken zijn als onderscheiding van de Orde van het Gulden Vlies. Die orde werd in 1430 opgericht door Filips de Goede, hertog van Bourgondië. Het was een broederschap van hoge edelen, die beloofden het katholicisme te verdedigen, vooral tegen de toen oprukkende Islam. Als symbool koos Philips de Goede het Gulden Vlies. Dit verwees naar de legende over Jason en de Argonauten. Zij waren er na veel moeilijkheden in geslaagd een bijzondere gouden ramsvacht (gulden vlies) te bemachtigen. Hertog Filips zag de dappere Argonauten als de eerste ridders en zichzelf als Jason, hun leider.

Natuurlijk had de orde ook een politiek karakter. Philips de Goede en later ook Philips II wilde de hechtheid van zijn landen graag verstevigen. De toelatingseisen waren dan ook streng. Slechts zeer hoge edelen konden ‘Vliesridder’ worden. En, heel belangrijk, ze moesten hem trouw zweren. Zo bond de hertog de invloedrijkste heren in zijn graafschappen en gewesten aan zich.

Plaatselijk cultuur-historicus Harrie Salman: “Dat Claes Vijgh in 1559 die orde ontvangen zou hebben staat weliswaar vermeld in de Kroniek van Tiel, maar is toch hoogst onwaarschijnlijk. De officiële ontvangers van het Gulden Vlies in die periode woonden allemaal in Wallonië, die kwamen uit degelijke katholieke families van hoge adel, en daar past Claes Vijgh helemaal niet tussen. Claes was in Tiel een machtig man, maar kwam wel uit een tollenaarsfamilie die rijk geworden was van tolgelden die bij Arnhem geïnd werden. Ze waren opeens ‘van adel’ omdat ze te veel geld in hun zakken gestopt hadden.” Er bestaan lijsten van de ontvangers van het Gulden Vlies en Claes Vijgh komt op geen enkele officiële lijst voor. Op Wikipedia staat ook een lijst, daarop komt hij wel voor, maar het is duidelijk te zien dat hij er later en zonder nummer tussen gezet is. Is dat niet merkwaardig?

Bezoek aan Tiel

In het kader van dit verhaal hebben Dick van Duijn, Harrie Salman en Willem van den Haak op 15 augustus een bezoek gebracht aan Thedingsweert en aan Alexandra van Steen die een warm welkom had voorbereid in het ‘Flipje en Streekmuseum Tiel’. Vooral Dick heeft genoten van een kostelijke zonovergoten wandeling in het schitterende gebied waar eens zijn broer een fijne opleiding genoten had.

Dick van Duijn bij het Kasteel Soelen waar zijn broer Willem mogelijk het Gulden Vlies heeft gevonden.

zie ook item ‘ontmaskering’:  https://detielenaar.nl/nieuws/2019/02/namaak-gouden-vlies-ontmaskerd-in-flipje-en-streekmuseum-tiel/

Comments
Loading...