Pionier van de Betuwse archeologie overleed honderd jaar geleden

Geurt Jan Brenkman, de man uit Lienden die de westelijke Betuwe archeologisch op de kaart zette, overleed precies een eeuw geleden.

Schilderij van de smederij Brenkman in Aalst.

Hij was geboren in Aalst (Gld.) in 1834. Zijn vader Willem was daar smid en Geurt Jan nam dat bedrijf over. In de regio was hij bekend als ‘de smid van Aols’.

Al heel jong had Brenkman belangstelling voor geschiedenis. Hij had volstrekt geen opleiding in die richting, maar ontwikkelde zichzelf door zelfstudie en de opbouw van een mooie eigen bibliotheek. Hij verzamelde in eerste instantie munten en spoedig kwam hij tot de ontdekking, dat er in zijn leefomgeving heel veel vondsten – meestal toevallig – werden gedaan. Hij nam daarop de moeite om in tijden, dat er bijvoorbeeld geploegd of gebouwd werd, door de omgeving te lopen en te vragen, of er nog iets was gevonden. Vaak waren er prehistorische of Romeinse vondsten gedaan en Brenkman probeerde de voorwerpen dan in handen te krijgen. Vaak leverde dat een koehandel op, omdat de vinders meenden, dat zaken veel waard waren.

Brenkman verzamelde allerminst voor eigen gewin. Meestal werden de gegevens en dikwijls ook de voorwerpen door hem opgestuurd naar het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Daar is dan ook een grote verzameling brieven van hem bewaard gebleven. Op den duur wisten ook professionele archeologen zijn kunde te waarderen.

Toen in 1899 de voorbereidingen begonnen voor de oprichting van een Oudheidkamer in Tiel was Brenkman van de partij. In het duidelijk elitaire gezelschap was hij juist een man van de praktijk. Hij werd om zijn kennis zeer gewaardeerd.

In 1905 vond de belangrijkste archeologische activiteit van Brenkman plaats: een opgraving op de Hoge Woerd bij Kesteren. Deze was gefinancierd door de Vereniging Oudheidkamer voor Tiel en Omstreken. Zelfs de vermaarde archeoloog Prof. Dr. A.E.J. Holwerda, directeur van het museum in Leiden, kwam er poolshoogte nemen. Hoezeer Brenkman zich in zijn dagelijkse omgeving een eenling voelde, blijkt uit een anekdote die zich tijdens dat bezoek afspeelde. Tijdens een lunch in Kesteren was Brenkman voortdurend enthousiast aan het woord. Oudheidkamervoorzitter Johan Adriaan Heuff (beter bekend als ‘Huf van Buren’) merkte op: “Brenkman, eet nu eerst je boterham eens op”. Waarop Brenkman antwoordde: “Mijnheer Heuff, boterhammen kan ik iedere dag eten, maar om te kunnen spreken met mensen, die in deze dingen belang stellen, dat valt mij niet dagelijks te beurt.”

In latere jaren werd Brenkman te oud om nog zelf te graven, maar meerdere opgravingen (bijvoorbeeld in Rijswijk in 1915 en 1916) werden nog op zijn aanwijzingen gedaan. Het leverde de vooroorlogse Tielse Oudheidkamer schatten op.

Geurt Jan Brenkman bereikte een hoge leeftijd, maar kwam ongelukkig aan zijn einde. Begin februari 1922 maakte hij een ernstige val door de gladheid. Zijn dagenlange lijden moet heel pijnlijk zijn geweest, gezien de omschrijving in zijn overlijdensbericht. Hij overleed op 12 februari 1922. Inmiddels was hij zodanig bekend, dat veel Nederlandse kranten het bericht van zijn val en overlijden overnamen.

Comments
Loading...