De koning en Tiel

De vijfde koning van ons land, die vandaag Abraham ziet (proficiat en nog veel mooie jaren !) heeft wat met Tilburg. En andersom natuurlijk. Zoals onze eerste koning iets had met Tiel. En andersom. Het is al ruim twee eeuwen geleden en de tijden waren heel anders. Maar in beide gevallen is de relatie tussen stad en koning heel specifiek.

Het verleden kent maar weinig vorsten die zo tot de verbeelding spreken en waarover de meningen zo verdeeld zijn als Lodewijk Napoleon. De op 2 september 1778 in Ajaccio geboren Luigi Napoleone Buonaparte was de jongste broer van keizer Napoleon, door wie hij in 1806, tegen zijn zin in, werd gedwongen koning van Holland te worden.

De eerste koning van Holland trok met zijn linkervoet door jicht en kon door gewrichtsreumatiek ook zijn rechterhand niet goed gebruiken. Daarom heette hij soms “de lamme koning”. Hoewel hij zijn best deed slaagde hij er niet in onze taal te leren en stelde hij zichzelf soms voor als “de Conijn of Olland”. Hetgeen hem een andere bijnaam bezorgde. In 1802 was hij uitgehuwelijkt aan Hortense, stiefdochter van zijn broer Napoleon. Het was een slecht huwelijk – beide echtgenoten leefden gescheiden. Maar de koning verwekte bij haar een in 1808 geboren zoon die van 1852 tot 1870 als Napoleon III keizer van Frankrijk zou worden. Om zich Hollandse gewoonten eigen te maken leerde hij pijproken om daarmee overigens na enkele maanden weer mee te stoppen.

Geen zetbaas

Lodewijk Napoleon was zichtbaar ongelukkig en onberekenbaar. Maar hij was zeker geen zetbaas van zijn grote broer en deed wat hij kon om voor de belangen van zijn onderdanen op te komen. Daarmee trotseerde hij zo ongeveer dagelijks de toorn van zijn broer, de keizer. Als zijn onderdanen getroffen werden door rampen als de ontploffing van een kruitschip in Leiden of de watersnood van 1809, haastte de koning zich naar de plaats des onheils om mensen te helpen en organiseerde hij collecten voor de slachtoffers. Dat maakte hem populair bij de gewone burger.

Ook cultuur en wetenschap hebben veel aan hem te danken. Het Rijksmuseum, de Koninklijke Bibliotheek en de Koninklijke Academie van Wetenschappen zijn door hem gesticht. Hij liet wegen en kanalen aanleggen. Om kort bij huis te blijven: de Nieuweweg in de gemeente West-Maas en Waal is op zijn bevel aangelegd als  onderdeel van een veel langere weg die noord en zuid met elkaar moest verbinden

Tiel

Het verhaal van de koning met zijn hondje, dat hij Tiel noemde, is duizend maal verteld. In tientallen boeken. Geert Mak wijdde er een uitzending aan en wijlen Martin Bril schreef over de eenzame koning en zijn hondje een boeiend essay in de Volkskrant ( http://www.volkskrant.nl/archief/eenzaam~a645115/). In 2000 en 2001 trok de toneeelgroep Orkater door ons land met “Conijn van Olland – de aandoenlijkste en grootste pleitbezorger van Holland aller tijden”. En weer korter bij huis: In 2006 gaven Hilde Pander en Pieter Stapel in de reeks De Betuwse Saga in het oude kerkje van Maurik een voordracht over het hondje en maakte Hilde een sculptuur daarvan om dat te gaan leggen op de graftombe van Lodewijk Napoleon in Frankrijk.

In juli 1808, toen de koning een werkbezoek bracht aan Tiel, sprong er ergens in de stad een straathondje in zijn open koets. De vorst wilde niet dat het dier, dat bij hem zijn toevlucht had gezocht, eruit gegooid zou worden. Zelden zal een dier zo vertroeteld worden als “Tiel”, zoals de koning zijn nieuwe vriendje noemde. Omdat het zijn jicht draaglijker zou maken liet de koning de hond aan zijn voeten slapen en “Tiel” zat tijdens de maaltijden aan de koninklijke tafel. Maar het was een allerminst vriendelijk beestje. Het beet langslopende lakeien in de kuiten, kefte en schrokte. Toen er daardoor in het Utrechtse paleis van de koning in Tiels keel een botje was blijven steken moest er een chirurg bij gehaald worden. Dat leverde in 1943 een Utrechtse bijdrage op, waarin het hondje en de Tielenaren er niet best van af komen:

( https://dspace.library.uu.nl/bitstream/handle/1874/238341/MOUT_1943-04_1.pdf?..)

Hoe dan ook – het door de koning en geschiedschrijvers gekoesterde hondje Tiel kwam op een nare manier om het leven. Toen het voor Lodewijk Napoleon duidelijk was geworden dat hij de strijd met zijn machtige broer in alle opzichten had verloren, trad hij af en ontvluchtte hij in de nacht van 2 op 3 juli 1810 als een dief in de nacht ons land. Samen met Tiel. Maar in Hannover sloeg zijn koets om en werd het hondje verbrijzeld. De ex-koning sloot zijn leven aangenamer af. Na de dood van Hortense hertrouwde hij in 1838 met een zeer jeugdige markiezin, die als het mooiste meisje van Italië bekend stond.

Koele ontvangst

Lodewijk Napoleon is minstens driemaal in Tiel geweest. De eerste keer, op 8 januari 1806, kwam hij als “Prins Louis” – bevelhebber van een leger van Napoleon – en wist nog niemand – ook hijzelf niet - dat hij koning zou worden. Hij werd beleefd maar koel ontvangen door de stadsbestuurders Schull en Van Lidth de Jeude. Enkele maanden nadat hij was gekroond – op 2 oktober 1806 - zou de vorst samen met zijn koningin en een groot gevolg de stad bezoeken. Maar de Tielse  voerlieden die met 26 paarden het hoge gezelschap van Tiel naar Nijmegen zouden brengen, wachtten vier dagen vergeefs. Tot bleek dat de koning op het laatste moment een andere route had gekozen.  In juli 1808 kwam de koning echt, maar zonder Hortense, die was uitgeweken naar Frankrijk. De koning bezocht in Tiel enkele bedrijven en nam het hondje mee dat sindsdien niet meer van zijn zijde week. In januari 1809 braken in het Rivierengebied diverse dijken waardoor ongeveer 200 mensen verdronken. Lodewijk Napoleon snelde toe om waar mogelijk hulp en troost te bieden. Hij kwam ook naar Tiel, waar hij overnachtte.

Afgezien van een lang gesteggel over een vergoeding voor de voerlieden, die in oktober 1806 vergeefs hadden gewacht, wordt er van deze evenementen niet of nauwelijks gewag gemaakt in de magistraatsresoluties – de soms ruim 300 pagina’s per jaar omvattende notulen van het stadsbestuur. Die werden ook in die jaren selectief opgesteld en dat had toen vooral te maken met het geloof.

Geloofsstrijd

Koning Lodewijk Napoleon was katholiek – zeer gelovig en soms een dweper. Dat bleek al direct na zijn intocht in Holland. Er werd in die jaren in alle kerken gebeden voor het gezag en zijn minister liet dus weten dat er nu gebeden moest worden voor Zijne Majesteit de Koning. Toen hij de tekst van dit verplichte gebed onder ogen kreeg liet Lodewijk Napoleon alle bestuurders een bevel sturen om dat te veranderen. Hij wilde als “Knecht van God” in de kerk geen majesteit genoemd worden. Een verbod dat overigens op grote schaal genegeerd werd.

De koning kwam op voor de belangen van zijn roomse onderdanen en zorgde er voor dat in heel veel dorpen en steden de kerkgebouwen, die bij de Reformatie in protestantse handen waren gekomen, teruggegeven werden aan de roomsen. En dat terwijl in Tiel vooral in die jaren het stadsbestuur uitgesproken anti-rooms was. De katholieke minderheid – ruwweg een vijfde van het inwonertal – had zich direct na de “Fluwelen revolutie” van 1795 duchtig geroerd, maar werd nu,  tien jaar later en met vooral vertegenwoordigers van de oude regentenfamilies aan het Tielse roer – stelselmatig geweerd uit alle bestuurslagen. Daardoor werd de katholieke koning ongeveer doodgezwegen.

Schade

Dat kon tot koddige situaties leiden. De kosten van het koninklijk bezoek in 1809 werden door het stadsbestuur gedeclareerd op de rekening van de schade als gevolg van de overstromingen. In juni 1809 gaf de Minister van Eredienst de gemeentebestuurders opdracht na te gaan welke pastoors tijdens zijn tocht door het Rivierengebied voor de koning de mis hadden gelezen. Desgevraagd liet de Tielse pastoor weten dat Lodewijk Napeleon inderdaad de mis had bijgewoond, waarna een koerier enkele weken later buiten het stadsbestuur om 300 gulden bij de pastorie bezorgde.

Wat het stadsbestuur ook echt kwaad maakte was dat de koning aan de pastoor had beloofd dat de roomsen de Agnietenkerk – toen “de Latijnsche School” – zouden terugkrijgen. De katholieken hadden een vrij nieuwe schuilkerk, die – zeker naar de mening van het stadsbestuur – voldoende ruimte bood. Maar het ging de pastoor meer om een vorm van schadeloosstelling voor wat de protestanten de katholieken zouden hebben afgepakt. En die Latijnse school stond bij gebrek aan leerlingen al jarenlang leeg. Toen het stadsbestuur bij geruchte lucht kreeg van de roomse aspiraties, maakte het plannen om van het gebouw een kazerne voor 300 soldaten te maken. In opdracht van de koning verbood de landdrost die verbouwing, waarop een fanatieke bijna vijandige correspondentie ontstond met het stadsbestuur dat hem vroeg maar eens te vertellen waar al die soldaten anders opgeborgen zouden moeten worden. Het overhaaste vertrek van de koning maakte een eind aan deze plannen.

Dit soort bijzonderheden zijn op te diepen uit niet of nauwelijks bestudeerde dossiers in het stadsarchief. Er is ook een gerucht dat Lodewijk Napoleon, die jaren nadat hij was afgetreden incognito ons land bezocht en door menigeen werd herkend, ook in Tiel zou zijn geweest. Mogelijk is er ergens in een privécollectie een bewijs daarvoor te vinden. Commentaar of aanvullingen zijn welkom.