De muziekmeester

Door Huub van Heiningen op dinsdag 16 januari 2018, geplaatst in Kunst & cultuur, Historie. Een van Jan Steen's muziekmeestersEen van Jan Steen’s muziekmeesters

 De Tielse muziekmeester en organist Jan Buijs ( ca 1772 – 1822) is waarschijnlijk de meest tragische figuur uit de Nederlandse muziekgeschiedenis. Omdat Jan (of Johannes) een geheimzinnige telg was uit een familie van bekende musici is er vaak naar hem gezocht. Zijn naam valt op Wikipedia (lemma Cornelis Buijs) en in 1882, toen er in De Groene Amsterdammer artikelen verschenen over de muzikale familie, kende men hem nog uit de overlevering: “Een Jan Buys (violist en organist) en waarschijnlijk jongere broeder van Cornelis, moet een buitengewoon vaardig violist zijn geweest, die een onrustig, zwervend leven leidde. Men meent, dat hij stads-muziekmeester te Zutphen en later organist te Tiel is geweest”.

  Dat was een klok en klepel gissing. Jan Buijs heeft enige tijd in Zutpen gewoond en daar mogelijk muzieklessen gegeven. Maar enigerlei functie had hij daar niet en hij heeft daar in de archieven (voor zover uit een niet al te diepgaand onderzoek blijkt) geen sporen achtergelaten. Maar hij was wèl muziekmeester in Tiel.

 De functie vereist enige toelichting. Het door de Reformatie in Tiel ingevoerde protestantisme was vooral Remonstants. De Synode van Dordt (1618) heeft die geloofsrichting wel uit de kerken verbannen maar niet uit de magistratuur. De leden van het stadsbestuur bleven binnen de officiële kerk maar waren zeker niet streng in de leer. De magistraat was en bleef “vrijzinnig”, zoals men het weldra zou gaan noemen. Het stadsbestuur bepaalde wie er in Tiel als predikant werd benoemd en peperde de eerwaarde heren soms in wie er in hun stad de baas was. Het orgel in de Sint Maartenskerk was eigendom van de stad en het was ook de magistraat die de organist benoemde. Die behoefde niet eens tot de ware gereformeerde religie te behoren, die in de kerk gepredikt werd. De in 1767 benoemde organist Johannes van Sturenberg b.v. was Luthers.

 Al vrij snel na de Reformatie werd van de organist verlangd dat hij ook andere instrumenten kon bespelen en zien we dat hij tevens “stedelijk muziekmeester” was. Dat was geen nevenfunctie. Soms was voorgeschreven dat hij minstens een dag per week muzieklessen diende te geven aan jongelieden. Hij werd geacht de marsen te kunnen componeren voor de schutterij en kon zijn salaris ook aanvullen door dames en heren onderricht te geven in het bespelen van de luit, de harp, het clavecimbel of de viool. Uit tal van boedelbeschrijvingen blijkt dat de gegoede Tielenaren kostbare muziekinstrumenten hadden. Tiel was een muzikale stad.

 Dat blijkt ook uit de advertentie die op 12 augustus 1790 in de Oprechte Haerlemsche Courant en andere kranten verscheen, waarin een organist voor Tiel werd gezocht. Het tractement van 325 gulden per jaar ligt boven de Balkenende-norm van die jaren. De organist die naar Tiel wil komen moet dan ook nog “andere Muzyk Instrumenten tracteeren”.  Tiel is in die tijd een stad van regenten, notarissen en rentmeesters geworden, die bestuurd wordt door leden van onderlinge verwante families. De “nieuwgezinde” patriotten zijn in 1787 door de Pruisen uit de stad verjaagd of ontzet uit hun functies en wat nu macht heeft is oerconservatief. Maar de Verlichting gaat aan Tiel niet voorbij en de notabelen, en niet het minst hun vrouwen en dochters hebben tijd voor muziek en overtroeven elkaar met dure instrumenten. Formeel moesten alle publieke functionarissen benoemd worden door stadhouder Willem V, maar die had op 13 juni 1790 al schriftelijk laten weten dat het stadsbestuur ditmaal zelf een organist mocht kiezen.  

 Er was veel belangstelling voor de audities op 15 augustus 1790, waar Johannes Bos, de ondertussen naar Zutphen vertrokken vorige Tielse organist de kandidaten beoordeelde. Eén leek er in menig opzicht bovenuit te steken en werd dus benoemd. Dat was de nog geen 20 jaar oude Jan Buijs,  zoon van de Amsterdamse  muziekmeester/torenwachter Cornelis Buijs en zijn echtgenote Leijsie (Elisabeth) Smit. Vader Buijs had in Amsterdam een goede naam als musicus en die gaf tenslotte al op elfjarige leeftijd tegen betaling muzieklessen. Ook zijn oudste zoon, de op 17 juni 1757 geboren Cornelis Buijs was al befaamd als musicus

 Deze plm 14 jaar oudere broer van de nieuwe  Tielse muziekmeester – in dezelfde functie werkzaam in Zaltbommel –  zou ook in de Tielse stadsgeschiedenis een rol gaan spelen. Interessant is daarom wat het Nederlandsch Muziekaal Tijdschrift in 1841 over hem schreef.  “Cornelis Buys was een man van groote verdiensten, bekwaam Organist, Pianist en Klokkenist, die hoorn en trompet blies, de viool en alt bespeelde, de concerten te Zalt-Bommel dirigeerde, zich een keurig doigté had eigen gemaakt, en de gaaf bezat, om met een taai geduld, op eene schier voorbeeldelooze wijze, zijne denkbeelden aan zijne leerlingen zoo duidelijk mogelijk voor te stellen. Hij was om zijn braaf en deugdzaam karakter, om zijne aangename wijze van zijn, algemeen geacht en bemind, en had door veel lectuur en den omgang met fatsoenlijke standen, eene fijne beschaving verworven. Zijne levensgeschiedenis is arm aan merkwaardige voorvallen, maar rijk in de blijken van zijnen vurigen ijver, rustelooze werkzaamheid, nederigheid en welwillendheid. Zijne eenigzins stamelende spraak schreef hij aan de schrik toe, bij gelegenheid van den brand, in den Stads-Schouwburg te Amsterdam in 1771, waarin hij zich toen bevond. Hij beminde het Orgel- en Pianospel zeer, was met het Bommelsche orgel hoog ingenomen, en bezat de gaaf om zich van de registratuur op eene voortreffelijke wijze te bedienen. Zijn koraalspel was deftig en eenvoudig; zijne voor-, tusschen- en naspelen steeds gepast en doeltreffend. Wekelijks liet hij zich een uur op het orgel hooren en hoewel hij de werken van Bach, Händel, Vogler en anderen goed wist uit te voeren, besteedde hij echter dien tijd meest aan vrije fantaisie. Hij overleed te Zalt-Bommel aan verval van krachten den 2den Maart 1831”.

 De vraag dient gesteld of de Zaltbommelse organist wel zo’n brave borst was als hier geschilderd. Hij was getrouwd met Maria Sluijter maar deelde liever het bed met zijn diensbode Alijda Brandts – telg uit een in Tiel en Wamel wijd verbreide familie. Uit dat concubinaat werd op 3 maart 1812 een zoon Cornelis Alexander geboren. Toen in 1825  zijn echtgenote was gestorven en de organist hertrouwde met de moeder van zijn zoon, ging die zich Cornelis Alijander Brandts-Buijs noemen. Hij werd een befaamd dirigent en organist. Ieder die Brandts Buijs heet stamt van hem af. Kort na 1900 had Tiel een kinderzangschool waarvan zijn zoon directeur was

 Terug naar Tiel, waar weldra bleek dat de jeugdige uit Amsterdam komende musicus in de oude Waalstad een onstuimiger leven wilde gaan leiden dan men hier verwacht had. Een half jaar na zijn benoeming, op 6 juli 1791 werd de nieuwe organist  door de magistraat “boven geroepen” voor een stevige reprimande. Want “hun Weledele en Achtbare ontwaar geworden zijnde, dat des zondags bij ’t oeffenen van den Godsdienst verscheide jonge lieden zig komen op ’t orgel te begeven, ’t geen niet anders als ongeregeltheeden en ontstichting kan veroorsaken, en waardoor den organist in ’t speelen de vereischte attentie werd benomen, en daar in willende voorsien hebben HWA goedgevonden den organist serieus te recommanderen” zich anders te gaan gedragen. Buijs beloofde geen jongelui meer mee te nemen naar het orgel en zijn best te doen  zich meer toe te leggen op de psalmen.

  Evenals zijn oudere broer in Zaltbommel handelde ook Jan Buijs in muziekinstrumenten maar een goede zakenman zal hij niet zijn geweest. Want op 9 mei 1792 schreef hij aan het stadsbestuur dat hij “zo door disfortuijn als tegenspoed in zijn affaire differente schulden gemaakt had”, die hij niet kon betalen. Daarom had hij een afbetalingsregeling gemaakt, die door het stadsbestuur als zijn werkgever moest worden “geapprobeerd”. Hetgeen geschiedde. En een douceur van 25 gulden, die Buijs in februari 1793  kreeg omdat hij het orgel daarvan zo fraai bespeelde tijdens de reparatie van de Sint Ceciliakapel, zal geholpen hebben bij het aflossen van zijn schulden. Maar hij bleef voor problemen zorgen. Op 2 april 1794 werd hij opnieuw op het matje geroepen bij de magistraat wegens “zijn singulier speelen op de biddagen en des zondags bij ’t oeffenen van de Godsdienst en gerecommandeert zig daar van te wagten”.

 Weer beloofde Jan Buijs beterschap, maar dat heeft waarschijnlijk weinig effect gehad. In de eerste dagen van 1795 trokken de Fransen Tiel binnen om de regenten, die ruim twee eeuwen de dienst hadden uitgemaakt, te verjagen. Er kwam een “Comittee Revolutionair” aan de macht, bestaande uit Patriotten. Rumoerige tijden volgden met als resultaat, dat in 1801 Tiel weer een elitair bestuur kreeg, waarin ook vertegenwoordigers van de oude regentenfamilies een plaats hadden gekregen. Aan welke zijde de muziekmeester stond blijkt niet (nog niet – er duiken nog steeds eerder onbekende stukken van en over hem op) Vermoedelijk was hij een revolutionaire patriot. Duidelijk is wel dat hij zich niet aanpaste – of kon aanpassen – aan het moraliteitsbesef van die dagen.

  Op 18 maart 1801 kwam in de vergadering van het stadsbestuur “het allezints berispelijk gedrag van den stads-organist J.Buijs” aan de orde. Zonder op enigerlei wijze te duiden waaruit de misdragingen van de organist bestaan, wordt hij er wijdlopig van beschuldigd  “zig aan eene schandelijke levenwijs te hebben overgegeeven; een levenswijs, welke niet dan door een iegelijk met veragting en verontwaardiging aangezien en beschouwd wordt: en die volstrekt ook niet anders kan ten gevolgen hebben, en moet uitlopen, dan tot een totaal bederf en ondergang van die geene, welke opden duur daarin blijft voortgaan”. Buijs is vaak genoeg gewaarschuwd, aldus de magistraat. Die wil hem nog een laatste kans geven om “zijn levensmanier” te verbeteren – als hij die kans niet aangrijpt zal hij worden ontslagen.

 Als er kennelijk niets of te weinig verandert hakt in december 1801 de “Commissie tot Instandhouding van de Hervormde Godsdienst” de knoop door. Men wil Buijs “uit hoofde van zijn aanhoudent slegt compartiment” niet langer als organist in de kerk aanvaarden en verzoekt het stadsbestuur hem ook als stads-muziekmeester af te zetten. Daartoe wordt op 30 december 1801 inderdaad besloten. Buijs moet de sleutels inleveren, er wordt een procedure gestart voor de benoeming van een nieuwe organist en totdat die er is zal het orgel bediend worden door W. de Kleijn. In de geest van de nieuwe bureaucratie wordt een overeenkomst opgemaakt, waarin partijen goedschiks uit elkaar lijken te gaan, maar Buijs weigert die te ondertekenen. Er wordt een procedure gestart voor de aanstelling van een nieuwe muziekmeester/organist, waarbij kandidaten niet alleen hun muzikale vaardigheid moeten bewijzen maar ook een bewijs van goed gedrag moet overleggen. Het wordt uiteindelijk Jacobus Prins, die per 1 mei 1802 in dienst treedt en in een verklaring aan de magistraat belooft “zich als stil en vreedzaam burger te zullen gedragen, sluytende met de wensch, dat de Bestuurder van ’t Heelal zijne zegeningen over deze vergadering en ingezeetenen dezer stad mooge uitstorten”.

 Jan Buijs is ondertussen de stad ontvlucht naar Gorcum, maar hij legt zich niet bij de situatie neer. Hij wil van een onafhankelijke rechter een oordeel over de vraag of zijn levenswijze zo verkeerd is dat dit tot zijn ontslag als muziekmeester moest leiden. Ook in dit opzicht treft hij het echter slecht. De magistraat machtigt zijn president Carel Campagne over de zaak te overleggen met de rechter en met hem samen te beslissen op  het verzoek van Buijs. Diens lot is dan afhankelijk van de calvinistische kerkvoogd Campagne en de katholieke Godefridus Dominicus van Hellenberg, die procedeert omdat de pastoor van Tiel z.i. niet leeft volgens de kerkleer. Religie bepaalt wat recht is, maar de notulen van het stadsbestuur wekken de indruk dat er méér aan de hand is dan men opschrijven wil. Besloten wordt dus Jan Buijs de stad uit te zetten.

 Die blijkt doelbewust naar Gorcum te zijn gegaan. Daar gaat binnenkort de organist/klokkenist/muziekmeester met pensioen  en Jan Buijs mag de scheidende musicus al assisteren. Daarom is hij, zo schrijft hij op 13 juni 1802 aan de raad van Tiel, “buyten verwagting geheel gelukkig te Gorinchem”. Hij geeft les aan “het beste soort van menschen”. Muziek maakt hem gelukkig en geneest ook zijn kwaal. Hij wil in Gorinchem solliciteren en heeft het bestuur van de kerkelijke commissie  verteld dat in Tiel sterke drank hem heeft “weggesleept en bedorven”. Men zal echter nog in Tiel gaan informeren en hij smeekt het stadsbestuur wat goeds over hem te vertellen.

 Op 25 juli richt Jan Buijs zich opnieuw tot de gemeenteraad van Tiel. Hij vertelt de auditie met glans doorstaan te hebben en zal nu in Gorinchem de functie krijgen welke hij in Tiel vervulde. Maar dan zal hij binnen drie weken een bewijs van goed gedrag moeten overleggen aan de gemeenteraad en de  kerkenraad van Gorinchem. Hij vertrouwt erop dat men in Tiel voor hem de deur opent om weer gelukkig te worden. Vergeefs – de raad van Tiel – die moeilijk iets anders kon doen – besluit zijn twee brieven terzijde te leggen. De benoeming in Gorcum gaat dus niet door.

 Teleurgesteld keert Jan Buij s terug naar Tiel, waar hij nog volop mensen vindt die muziekonderwijs van hem willen volgen. Daarmee schiet hij dan uiteraard onder de duiven van zijn opvolger Prins. Die beklaagt zich daarover op 11 augustus 1802 bij de raad waarna Buijs via de deurwaarder het bevel krijgt binnen acht dagen te vertrekken. Een verzoek om nog even te mogen blijven “totdat zijn slecht compartiment al dan niet bewezen zal zijn” wordt afgewezen. Jan Buijs wordt met de sterke arm uit de stad gezet en gaat als muziekmeester zwerven door Oost-Nederland. Hij zou pas acht jaar later in Tiel terugkeren en dan in de boeien geslagen. 

 Broer Cornelis Buijs zet nu kennelijk de handel in muziekinstrumenten In Tiel voort, want tegen hem wordt  in augustus 1803 geprocedeert over de aflevering van een clavicordium aan F. van Beem. Op 13 november 1805 besluit de raad dat “de organist Buijs wegens zijn slechte conditie de stad binnen acht dagen moet verlaten en er anders door de onderschout word uit gezet”. Een voornaam staat er niet bij, maar in 1810 in de processen rond de vraag wie Jan Buijs moest onderhouden zou de maire C.C. van Lidth de Jeude verklaren dat Jan sinds 1802 geen voet meer op Tielse bodem had gezet. Dat de befaamde Tielse burgemeester tegen zijn districtshoofd loog mag niet worden uitgesloten maar is niet waarschijnlijk – die leugen zou gemakkelijk te achterhalen zijn. Méér voor de hand ligt dat ook Cornelis Buijs uit Tiel verbannen werd. Wellicht omdat hij liever in Tiel dan in Zaltbommel in concubinaat leefde.

 Het is niet te achterhalen waar Jan Buijs woonde in zijn acht zwerversjaren en waar zijn muzikale talenten – naar eigen zeggen – diepe indruk maakten. Hij moet in elk geval ook in Zutphen en Nijmegen muzieklessen hebben gegeven. In de archivalia kan hij – zoals bleek – opduiken op plaatsen waar niemand hem verwacht. Hij komt pas weer echt in het nieuws in juli 1810 als hij – krankzinnig verklaard – opgesloten zit in het Ambtshuis in Elst en er een getouwtrek begint over de vraag wie hem moet onderhouden.

 In een lange brief, geschreven op 7 mei 1811 vanuit het tuchthuis in Den Bosch, vertelt Jan Buijs dat hij in Bemmel woonde toen in januari 1809 de rivierdijken doorbraken en het Rivierengebied getroffen werd door een van de zwaarste watersnoodrampen uit de geschiedenis. Overal in het land werd gecollecteerd voor de slachtoffers en Buijs vermeldt dat hij toen ten bate van de noodlijdenden een orgelconcert heeft gegeven “dat een mooye stuyver heeft opgebragt, welke penninge ik zelf heb gebragt bij de Amptman Graave van Randewijk”. Het verhaal lijkt niet te verifiëren, maar is waarschijnlijk juist. Want George van Randwijk (1737-1812), ambtman, dijkgraaf en rechter van de Over-Betuwe, blijkt een beschermheer van de ongelukkige musicus te zijn.

 De graaf moet erg geschrokken te zijn op 27 mei 1810. Van Boll, de schout van Heteren, ontving hij toen een uitvoerig verslag hoe die de avond te voren een gevaarlijke boef had gevangen en opgesloten in de “gijselkamer” van het Ambtshuis in Elst. De man had met drie medeplichtigen in Indoornick bij “geringe arme lieden” die niet huis waren, ingebroken om vervolgens bij de kinderen in bed te kruipen. Toen die schreeuwden had hij gedreigd hen te vermoorden, maar hij was er als een haas vandoor toen de ouders thuis kwamen. Bij Flipse op de Wolfskamp was hij vervolgens “tegen wil en dank op de balken gekropen”. Daar had de schout hem af gehaald. De boef had geweigerd de namen te noemen van de drie anderen waarmee hij op stap was, maar wel verteld dat hij Johannes Buijs heette, in Bemmel woonde en dat hij naar Nijmegen gebracht wilde worden. Van Randwijk concludeerde gelijk al dat de gevangene “niet was waarvoor de schout hem hield. Buijs heeft nooit iemand beledigd en kan niemand anders kwaad doen dan zichzelf. Hij hoort niet in de gevangenis thuis, maar moet verpleegd worden”.

George van Randwijk gaat naar Nijmegen om daar een plaats te zoeken voor Buijs en schakelt gelijk zowel het Provinciaal Geregtshof als de Landdrost, Johan Gijsbert Verstolk van Soelen,  in. Al op 5 juni machtigt het Hof de ambtman om voor de ongelukkige een oplossing te vinden. Daarbij was haast geboden omdat de musicus de dag tevoren in zijn cel getracht had zelfmoord te plegen “hetwelk echter nog in tijds gelukkig was belet”. Er is geen reden om hem achter tralies te houden maar er diende minimaal zo lang zijn “zinneloosheid” voortduurde,  op hem gelet te worden om te voorkomen dat hij zichzelf wat zou aandoen. Al in dat verbaal van 5 juni krijgt Tiel een snier: Buijs zou ook daar al “van tijd tot tijd met vlagen van zinneloosheid geattacqueerd zijnde” de stad uit gewerkt zijn. Dit betekende dat het stadsbestuur de man geloosd had om niet de kosten van zijn verpleging te moeten betalen. Een insinuatie waarop de Tielse burgemeester C.C. van Lidth de Jeude weldra als door een adder gebeten zou reageren.

Ook al omdat er voor hem betaald zou moeten worden als hij b.v. in de Nijmeegse Weeshuizen zou worden opgenomen en Jan Buijs geen cent te makken had, kwamen de autoriteiten tot de conclusie dat hij door verwanten in huis genomen zou moeten worden. Op 7 juni schreven zij dus een brief aan het stadsbestuur van Zaltbommel met het verzoek te trachten de oudere broer Cornelis te bewegen Jan in huis te nemen. Dat mislukte, zoals bleek uit het antwoord. Cornelis had duidelijk gemaakt niet voor de verpleging van zijn broer te kunnen zorgen. Er was ook nog een zuster in leven, getrouwd met J.F. Breedhof en wonende aan de Haarlemmerdijk in Amsterdam. “Doch ook die menschen zijn door tijdsomstandigheden in geene voorspoedige staat”. Cornelis had er voorts op gewezen, dat Jan Buijs enkele jaren erg gelukkig had gewoond in Bemmel en als muziekmeester had gewerkt “onder speciale directie van de heer Riemsdijk en de Predicant Groll”. Broerlief was daar zeer geliefd geweest.

De vraag was wie voor hem had te zorgen. Om dat uit te vinden werd op 24 juni 1810 een besloten overleg gevoerd in het Hof in Arnhem. Bepaald werd dat Tiel, waar Buijs twaalf jaar ononderbroken had gewerkt, wettelijk verplicht was voor de ongelukkige musicus te zorgen. Op een verzoek hem in Elst te komen ophalen en geld mee te brengen voor de “verplegingskosten in het Ambtshuis” reageerde Van Lidth de Jeude furieus. Eerstens had Buijs, die al acht jaar niet meer in Tiel was geweest, hier nooit enig spoor van waanzin getoond en tweedens diende de stad of het dorp waar hij het laatst gewoond had, nu voor zijn kosten op te draaien.

Uit de bewaard gebleven briefwisseling van begin augustus 1810 tussen Verstolk en van Randwijk blijkt “twijfel of de magistraat van Tiel wel in alle opzichten de waarheid hulde doet”. Beiden hebben in Tiel connecties genoeg om te weten dat Buijs ook in Tiel al dolde met jonggezellen en dat niet alleen de verwaarlozing van zijn plichten reden was geweest om de muziekmeester te ontslaan en te verbannen.  Van Randwijk kent ook de kwaal. “De vlagen van zinneloosheid, waardoor Buijs wierd overvallen worden vrij algemeen aan de gevolgen van eener mislukte vrijage toegeschreven”.

  Dat versterkt de indruk, dat de Tielse muziekmeester homo was.  Maar dat wordt nergens verteld. Er rustte een taboe op het onderwerp; de medische wereld zou zich pas een halve eeuw later gaan verdiepen in homosexualiteit. In het begin van de 19e eeuw was de sexuele relatie met iemand van het eigen geslacht in de kerkleer nog een zwaar misdrijf en in de medische wereld een vorm van krankzinnigheid. Ergens in het hersenweefsel zat een foutje – er was een steek aan los. Dat kon zich bij vlagen openbaren – doorgaans in de herfst – en verpleging diende gericht te zijn op het onderdrukken van de neiging.

 De vraag wie voor de verpleging van de gevangene Jan Buijs moest opdraaien leidde tot een fel dispuut tussen de Landdrost en de Tielse burgemeester. Die schreef ook zelf broer Cornelis aan en liet onderzoeken of Jan een vast domicilie had gehad in Gorcum, Nijmegen of Zutphen. Maar Verstolk liet hem tot tweemaal toe nogal onderkoeld weten, dat men het in Tiel niet goed had begrepen. Volgens de wet was Tiel verantwoordelijk en de aanschrijving om de gevangene in Elst te komen ophalen was eigenlijk een bevel.

 Op 19 augustus ging dus  de gemeentebode Campagne  naar Elst om daar de 119 gulden en 11 stuivers te betalen, die sinds 26 mei aan Buijs werden besteed en de gevangene mee terug te brengen. Die werd nog dezelfde avond opgesloten in de cel onder het stadhuis. Nadat Cornelis op 31 augustus had laten weten dat hij voor zijn broer niets anders kon doen dan “hem aan het medelijden van God en Menschen aan te bevelen en een beroep te doen op het Christelijk Medelijden”, zocht het stadsbestuur contact met het Tuchthuis in Den Bosch.

 In de correspondentie met de heer De Wijs legt het stadsbestuur er de nadruk op dat Buijs opgesloten zit “wegens wangedrag”. Dus gestraft dient te worden. Op 30 september wordt een contract gesloten om Buijs voorlopig voor een half jaar op te sluiten in het “verbeterhuis”. Daar komen nog drie maanden bij. Maar er is voortdurend wat gesteggel over de kosten. Ondertussen is de burgemeester “maire” geworden en de Code Napoleon ingevoerd, die zodanig kan worden geïnterpreteerd dat de kosten voor een krankzinnige voor rekening komen voor een andere gemeente dan Tiel. Op 8 juli 1811 wordt Buijs dus vrij gelaten.

 Van invloed was wellicht een lange brief (de laatste die we van hem vinden konden) die Buijs op 7 mei 1811 vanuit het Tuchthuis aan het stadsbestuur van Tiel schreef. Met veel onderdanige plichtplegingen stelt hij daarin de vraag of “iemant als ik wel verdient zo lang in hegtenis te blijven als ’t hooft weer beter is”. In het tuchthuis ben je, aldus Buijs “een onbeduidend mens en gaan je talenten in de muziek verloren. Zo kan ik niet aan mijn van het Goddelijk bestuur gegeven bestemming voldoen en dat maakt een mens zeer verdrietig”. Hij belooft zich “te wachten voor al dat naar kwaad schijnt”, acht het jaargetij zelfs voor het vee gunstig en vindt “sinds jaren niet zo gezond en sterk met het hoofd geweest”.

 De muziekmeester blijkt echter zichzelf helemaal niet in de hand te hebben: precies een week na zijn vrijlating wordt hij in Zaltbommel “in staat van zinneloosheid” uit de goot gevist en opgenomen in het Groote Gasthuis. Als dat de rekening naar Tiel stuurt en daarnul op het request krijgt, wordt hem op 26 september 1811 opnieuw de vrijheid hergeven.

 Daarmee verdwijnt de muziekmeester voor tien jaar in de mist van de geschiedenis. In die jaren wordt Napoleon verslagen en hebben we koning Willem I gekregen. Dan – in september 1821 wordt in een boerenschuur in Malden een man gevonden “in allerdeernigswaardige toestand”. De gemeenschap ontfermde zich over de man, die zich de muziekmeester van Tiel noemde en na enkele weken gevoed en gekleed te zijn en medische hulp te hebben gekregen, naar zijn broer in Zaltbommel vervoerd wilde worden. Die broer kon hem echter niet hebben zodat Jan Buys weer in het Gasthuis werd gebracht. De geschiedenis leek zich te herhalen. Wéér ging er een betalingsverzoek naar de ondertussen weer tot burgermeester teruggetransformeerde C.C. van Lidth de Jeude, die prompt weigerde. Maar het hoefde niet meer – enkele dagen nadat hij in Bommel was teruggebracht ontfermde de dood zich over de talentvolle musicus die niemand dan zichzelf kwaad kon doen.

Met dank aan Geert Dibbets in Malden en Adri Stuart in Bemmel, die mij hun vondsten stuurden.

Hoewel er vrij veel geschreven is door en over Johannes Buijs, weten we nauwelijks iets over zijn karakter. Daarom hebben we twee brieven van hem gestuurd naar de zeer ervaren grafologe (handschriftkundige) drs Maresi de Monchy, zonder haar te laten weten om wie het ging.  Haar analyse:

Intelligentie

Analysandus beschikt over een heel goed verstand, is vitaal scherpzinnig bij een praktische intelligentie. Enerzijds beschikkend over een veelzijdige belangstelling, zowel op geestelijk vlak als voor het ‘hier en nu’; anderzijds kan hij heel dogmatisch en eenzijdig denken en is op velerlei vlak enigszins bekrompen. Hij is echter in staat te scheiden en te onderscheiden, waardoor men hem vaak een ‘verfijnde geest’ zal toedichten. Zelf voelt hij zich op intellectueel vlak superieur en zal dit ook laten blijken. Daarnaast is zijn geest onrustig, mede door een veelheid aan (creatieve) invallen en ideeën.

Contactuele eigenschappen

Qua persoonlijkheid valt de heer X figuurlijk (en mogelijk ook letterlijk) “met de deur in huis” terwijl hij in wezen introvert lijkt te zijn. Hij neemt niettemin veel ruimte in, is veel aan  het woord en heeft de grootste moeite naar een ander te luisteren; derden krijgen geen kans het zijne ervan te zeggen of om  hun zelfs maar hun mening te uiten. De heer X zal daarbij steeds over de ander heen walsen.  Men zal hem veelvuldig beschuldigen van pedanterie en betweterigheid. Toch  lijkt  hij in eerste instantie een bescheiden man te zijn, dat is toe te schrijven aan zijn sobere levensstijl.

Werksituatie

Het is mogelijk dat hij door een zeker angst voor de realiteit zich zeer  gedreven gedraagt, zowel in zijn werk als in de benadering jegens zijn omgeving. Men zou kunnen spreken van een bijna dwangmatige drang om maar dóór te gaan, zonder ophouden zijn doel(en) willen bereiken, waarbij hij woekert met het leven.

De heer X is zeker vitaal, wilskrachtig en ook levendig te noemen, mede door zijn geestelijke beweeglijkheid. Hij wil alles uitputtend behandelen, op een welhaast drammerige wijze, is vaak pietepeuterig, maar in feite zonder een vooraf gestructureerde plan. Hij heeft geen idee dat tijd geld is doordat een zekere methodiek in werken en handelen ontbreekt evenals niet kunnen indelen. Hij lijkt bezig te zijn ‘om het bezig zijn’. Neemt te veel hooi op zijn vork wat hem innerlijk onrustig maakt waardoor hij snel geïrriteerd en prikkelbaar is. Daarnaast lijdt hij onder zijn onlustgevoelens, is (over)gevoelig, sensibel, en heeft mogelijk stemmingswisselingen.  O.o. kan hij niettemin ‘droog’ ageren.

 De heer X is volhardend, bijt zich vast in de materie en geeft niet op. Hij streeft naar een hoog werktempo waarbij het verstand zijn impulsiviteit beteugelt. Kan zich prima concentreren. Beschikt echter over weinig takt, is behoorlijk wantrouwend en kan zich egoïstisch opstellen omdat hij de wereld voor zich opeist en/of in beslag neemt. Zijn betrekkingen tot de buitenwereld zullen wisselend zijn, evenals zijn gevoel van eigenwaarde; dat eveneens wisselend is. Er lijkt – onbewust – een constante strijd te zijn tegen lichtvaardig zijn en voor psychisch evenwicht. Ook de strijd tussen emotie en controle daarop woedt..

Conclusie

Interessante, zij het “in het gebruik” niet makkelijke persoonlijkheid. Iemand die kort voor het afscheid nog heel veel wil vertellen, niet kan ophouden maar gedreven door het nastreven van zijn doel handelt. Begenadigd met een stevige wil, doorzettingsvermogen en een zekere discipline, maar met ook een niet te stuiten verbaal geweld.

Rotterdam, januari 2018

Reacties zijn welkom

Nog een Jan SteenNog een Jan SteenJohannes Buijs vanuit GorinchemJohannes Buijs vanuit Gorinchem1791 De magistraat kapittelt de organist1791 De magistraat kapittelt de organistDe Landdrost Johan Gijsbert Verstolk van SoelenDe Landdrost Johan Gijsbert Verstolk van SoelenRekening van de "verpleging" van Buijs in het Ambtshuis te ElstRekening van de “verpleging” van Buijs in het Ambtshuis te ElstCornelis Alexander Brandt BuijsCornelis Alexander Brandt BuijsDe advertentie waarop Johannes Buijs reageerdeDe advertentie waarop Johannes Buijs reageerdeDe Groene Amsterdammer van 1882De Groene Amsterdammer van 1882

Comments
Loading...