Nobels van Richard II

 Onder leiding van Wolter van IJzendoorn – stichter van de nog bestaande kerk in het gelijknamige dorp – vertrok op vrijdag 2 februari 1389 vanuit Tiel een illuster gezelschap naar Engeland. Daar moesten bij koning Richard II – die we ook kennen via Shakespeare – gouden nobels worden opgehaald om hertog Willem van Gelre vrij te kopen uit zijn gevangenis.

Hertog Willem was op donderdag 19 november 1388 met een groot gevolg en al het vlagvertoon dat bij de riddertijd paste, vertrokken voor zijn tweede kruistocht tegen de heidenen in Oost-Pruisen. Maar dat liep slecht af. Op zondag 4 januari 1389 kwam het bericht binnen dat de nog maar 24 jaar oude en zeer populaire hertog gevangen was genomen. Dat betekende naar de usances van die tijd dat er losgeld – veel losgeld – betaald moest worden en menige hand moest worden gesmeerd. De hertog had al naam gemaakt als bekwaam legeraanvoerder en was dus letterlijk zijn gewicht aan goud waard.

De gevangene werd in zoverre goed behandeld dat hij bezoek mocht ontvangen en ook brieven mocht laten uitgaan en ontvangen. Dit betekende dat er wekelijks herauten heen en weer reisden naar en van Pruisen om te onderhandelen met de gijzelnemers en dat de hertog zelf aan die onderhandelingen deelnam. Om welke bedragen het ging werd echter geheim gehouden. Hoeveel losgeld er uiteindelijk betaald werd, is dan ook (voor zover ik kon achterhalen) nooit bekend geworden. Feit is dat hertog Willem nagenoeg een half jaar werd vastgehouden – pas in de laatste dagen van juni 1389  zette hij weer voet op Gelderse aarde.

Direct na de gevangenneming van de hertog kwam er een omvangrijk diplomatiek verkeer op gang. De bisschop van Keulen trad op als bemiddelaar, de Raad van Holland kwam bijeen en er werd een beroep gedaan op de Commandeur van de Duitse Orde in Pruisen voor wie de hertog nogal hardhandig mensen tot het christendom had willen gaan bekeren.

Leden van de Ridderschap legden geld op tafel en in alle ambten van Gelre werd een verplicht te betalen “bede” ingevoerd om losgeld voor hertog Willem bijeen te krijgen.

In de litteratuur hierover lijkt de rol van de Engelse koning onderbelicht te zijn.  Nijhoff merkt slechts wat zuurtjes op dat de Engelse koning in 1387 weliswaar een verbond had gesloten met hertog maar zijn strijdmakker lelijk in de steek liet bij de Slag om Niftrik (30 juli 1388). Dat is betrekkelijk. Want uit de rekeningen blijkt dat bij die roemruchte veldslag ook engelse gewonden vielen, dat er een engelse “wondenmeester” was en een “paep om dy engelsse misse te doen”.

Interessanter is, dat er direct nadat zijn gevangenneming bekend werd, door de Raad van de hertog een zo zwaar mogelijke delegatie werd gevormd om te trachten In Londen losgeld los te krijgen. En dat die delegatie bepaald niet met lege handen terugkeerde.

Hendrick van Steenbergen, vertrouwde vriend en plaatsvervanger van de hertog, grootzegelbewaarder en rekenmeester van Gelre (over hem : http://www.biografischwoordenboekgelderland.nl/bio/1_Hendrik_van_Steenbergen ) ging zelf mee. De leiding werd in handen gegeven van Wolter van IJzendoorn  en de derde ridder die mee ging was Jacob van Montfoort. Hendrik Vijgh, burggraaf van Nijmegen ging mee als “scriver” en Ermke de Bemer, heraut van hertog Willem, moest ook in Londen voor de verbindingen zorgen.

De reis is tot in allerlei details beschreven in het rekenboek van Van Steenbergen (GA 0001-218). Het grootste deel van de delegatie vertrok al op 28 januari naar Tiel. Daar moest tot 2 februari wachten op Wolter van IJzendoorn en zijn dienaren. In Dordt werd nog proviand ingeladen. Natuurlijk bier en haring, maar ook een mand boekweit, knoflook en een koeienschedel om spijs in te doen.

De reis verliep voorspoedig. Na een stop om de zondagsmis bij te wonen in Geervliet, zeilde men maandag weg vanuit Arnemuiden om woensdag aan land te gaan in Noirwelle. Verder werd via Colchester en Chelmsford naar Londen gereisd – een trace dat ieder die wel eens met de stoptrein van Harwich naar Londen reisde, bekend zal voorkomen.

Aan land gekomen In England huurde de Gelderse delegatie 14 paarden en reed Ermke op één ervan vooruit om in Londen een goed hotel te zoeken. Daar aangekomen zocht Ermken contact met de Engelse koning. Op 10 februari reden heren vervolgens met 9 paarden naar Savoy om daar door Richard II ontvangen te worden. Een mededeling die (als ik het goed lees) wat vreemd klinkt omdat deze beroemde residentie van de Plantagenets in 1381 bij de Peasants Revolt met de grond gelijk gemaakt is. Denkbaar is echter dat de kapel ervan gespaard bleef en de koning daarin gasten ontving. Tijdens hun verblijf in Londen werden de Geldersen door Richard II ook nog ontvangen in Kingston en – met 12 paarden n.b. – in een residentie die als “Breydeleys” gespeld werd (en ik niet kan thuis brengen).

Uit alles blijkt dat het verblijf van de delegatie in Londen (ruim een maand) veel langer duurde dan gepland was en met grote omzichtigheid gehandeld moest worden. De Engelse koning overlegde met zijn Franse collega over een bestand (in de Honderjarige Oorlog) en kon dus niet al te openlijk meewerken aan het loslaten van een horzel op het lijf van zijn onderhandelingspartner. Daarenboven had Richard II te maken met een Parlement, dat het hem knap lastig kon maken. De gelderse ridders moesten dus ook op bezoek bij de Treasurier en een week later bij de Cancellier. Ondertussen was er ook overleg met het thuisfront in Nijmegen – er werden brieven met geheime instructies naar Middelburg gebracht. Vandaaruit werd kennelijk een postdienst op Londen onderhouden. In Arnhem moest ook een nieuw loden zegel gemaakt worden, dat via dezelfde weg naar Londen ging.

Er werd in Londen veel geofferd en gebeden. Op elke brug stond wel een offerblok en toen de Gelderse delegatie vertrok kreeg de koster van de kerspelkerk nabij hun herberg 8 nobels omdat hij elke dag vers wijwater had gebracht. Maar dat de reis niet vergeefs was geweest blijkt uit het gegeven dat er in de laatste dagen van het verblijf bij drie tabbaerts (wijde overmantels) aan de binnenzijde een zak werd gemaakt waarin baar geld kon worden vervoerd. Daarvoor waren heel wat ellen “bodendoeck” nodig (zwaar linnen waarvan ook bij ons lang postzakken werden gemaakt). De belangrijkste “knecht” van elk van de drie edellieden werd aldus via zijn tabbaert omgetoverd tot geldkoerier. De heren werden thuis met open armen ontvangen, maar hoeveel geld er in de tabbaerts zat, valt helaas niet te achterhalen. Althans niet in het Gelders Archief.

 Het nalezen van het “reisverslag” leverde nog een andere verrassing op – oftewel een vraag waarop ik het antwoord niet weet.

Tijdens hun verblijf in Londen gingen de edellieden een en andermaal op bezoek bij “de hertogin van Kent”, die een zuster heet te zijn van de Gelderse hertog. Ze overhandigen haar een brief van hem, die zij beantwoordt. Daarenboven schenkt ze haar broer twee hazewindhonden, die inderdaad meegevoerd worden naar Gelre. Ze laat via haar heraut wildbraad bezorgen bij de Gelderse delegatie en uit de opgetekende contacten dringt zich ook overigens een familiaire verhouding op. Maar volgens de duitse en nederlandse genealogieën had echter hertog Willlem helemaal geen in Engeland verzeild geraakte zuster. Wie was deze dame ?

 Wie het weet wordt verzocht het te vertellen. Ook andere reacties zijn welkom.

Comments
Loading...