Blad

Er zijn in minstens vijf andere steden straten en pleinen genoemd naar een van de belangrijkste waterstaatkundigen van ons land. Maar in Tiel, waar hij jarenlang werkte en woonde, lijkt hij volslagen vergeten te zijn. Tijd dus om aandacht te vragen voor Henry François Fijnje van Salverda (1796-1889).

Aan de overkant van de rivier is het met die intereresse trouwens anders. Maas en Waal wordt bewoonbaar gehouden door het Fijnje-gemaal en historische verenigingen daar hebben veel gepubliceerd over de in de 19e eeuw beroemde waterstaatsingenieur. Dat geldt ook voor de Bommelerwaard.

Fijnje’s  in niet alle opzichten juiste biografie is te vinden op: http://www.dbnl.org/tekst/molh003nieu01_01/molh003nieu01_01_1472.php  Daar staat b.v. in dat door de deskundigheid en energie van Fijnje in februari 1841 de dijk bij Tiel van een anders wisse doorbraak werd gered. Waarschijnlijk gaat het hier om zijn inspanningen in 1861, waarvoor Fijnje een onderscheiding kreeg.

Onvermeld bleef, dat Fijnje als jong waterstaats-ingenieur met zijn gezin in 1838 in Tiel kwam wonen in een huis aan de Agnietenstraat, op de plaats waar we nu “de teil” van de Agnietenhof vinden. Zijn huis stond vlak naast de in 1886 afgebroken Agnietenkapel (op de fundamenten daarvan is de school/het archiefgebouw gebouwd; dit gebouw zal als onderdeel van het WLP-complex worden afgebroken om plaats te maken voor een bioscoop).

 

Fijnje werd lid van de Groote Societeit en ontwikkelde samen met de “Thorbeckiaan” jhr. P.A. Reuchlin (die in 1853 burgemeester zou worden) en de rechtercommissaris Van Lidth de Jeude een plan om van de kapel een schouwburg te maken. Het drietal vroeg de gemeenteraad het gebouw voor dertig jaar te mogen huren. Dat verzoek werd gehonereerd – de raad verhuurde de kapel (oftewel Latijnse school) vanaf 1 mei 1840 voor de schappelijke prijs van een tientje per jaar. De verbouwing was tevoren al aanbesteed en gegund aan de timmerman Gradus Zwartjes Willemsz uit Beuningen. De heren hadden daarvoor 3000 gulden bijeen gebracht en samen met Van Lidth de Jeude werd Fijnje “commissaris van de schouwburg” om de onderneming te beheren.  Al op 7 oktober 1840 werd de eerste Tielse schouwburg feestelijk geopend.

De brief door drie notabelen in januari 1840 aan de raad van Tiel richtten

Henri François Fijnje van Salverda was echter niet alleen een van stichters van de eerste schouwburg in Tiel, hij was ook de ontwerper van de Waalkade en de eerste vluchthaven (die in 1892 werd vergroot). Daardoor raakte hij verzeild in een hevig conflict met de conservatieve gemeenteraad onder leiding van de  bejaarde burgemeester C.C. van Lidth de Jeude. Beiden werden met voorstellen bestookt door de Kamer van Koophandel die in 1841 door Reuchlin was opgericht en waarvan de Tielse kooplieden lid waren. Al in 1835 had de Inspecteur van de Rijnvaart erover geklaagd dat de Tielse haven door de ondiepte ervan niet als vluchthaven kon dienen en daarop had de raad nogal plompverloren besloten dat het uitdiepen ervan door de kooplieden moest worden betaald.

Op 18 november 1846 stuurde Fijnje een uitvoerig gedocumenteerd plan voor een nieuwe vluchthaven naar de raad en vroeg hij van de gemeente een bijdrage in de kosten daarvan. De raad wilde toen in beginsel wel de nodige grond afstaan, maar er geen cent aan bijdragen. Fijnje’s argument dat het vrachtvervoer naar de Belgische spoorwegen zou gaan als er tussen Dordt en Lobith geen goede haven zou komen, maakte geen indruk. Zo’n haven zou alleen het belang dienen van “de stoommaatschappijen” en daar zat Tiel niet op te wachten. Toen Fijnje voet bij stuk hield besloot de raad een klacht over hem in te dienen bij zijn chef Ferrand en zich ook rechtstreeks te richten tot de gouverneur van de provincie. Het stadsbestuur ving echter bot in Arnhem. De haven kwam er dus toch, maar aannemelijk is dat Fijnje zich in Tiel niet meer zo prettig voelde.

 

 

 

 

 

Plaquette in het gemaal te Alphen

 

Hij is in zijn lange werkzame leven vaak verhuisd en omdat hij waarschijnlijk steeds een huis huurde, is niet exact na te gaan wanneer hij verkaste. Bij de volkstelling van 1849 woonde Fijnje niet meer in Tiel, maar dat was nog wèl het geval in het voor hem roerige jaar 1846 toen hij in 1846 voor Maas en Waal een stoomgemaal ontwierp met een bijzondere kleppenpomp, die sindsdien de Fijnje-pomp heet. In 1861 toen het gehele Rivierengebied werd geteisterd door een zware watersnoodramp, woonde Fijnje in Arnhem. Maar als hoofdingenieur en arrondissementshoofd van de rijkswaterstaat leidde hij de versterking van de waterkering bij Tiel.

Pas op 5 mei 1875 keerde de inmiddels bijna 79-jarige Fijnje terug naar Tiel waar hij voor ƒ 1.35 per week het in 1870 gebouwde “huis tegenover de Fruithof” huurde – het pand dat thans Nieuwe Tielseweg 40 is genummerd.  Lang bleef de onrustige technicus hier niet – in 1880 vertrok Fijnje naar Nijmegen, waar hij op 2 juli 1889 overleed.

Het huis aan de Nieuwe Tielse weg (no 40) waarin Fijnje woonde

In Tiel werd Fijnje voor de tweede maal lid van de Groote Sociëteit, maar hij speelde geen rol meer in het openbare leven.  Waardoor hij verdwijnt uit de archivalia. Edoch ……op 14 november 1876 vroeg en verkreeg Fijnje van het stadsbestuur toestemming blad te rapen in de Plantage – mits hij zich tot de paden zou beperken. Henri tuinierde en ondersteunde daarbij de natuurlijke kringloop. Een man naar  mijn hart dus.

 

Krantenknipsels die getuigen van Fijnje’s activiteiten en aantonen dat hij in Tiel woonde

 

Comments
Loading...