Belasting op ijdelheid

Op 1 januari 1806 kregen tachtig Tielenaren, die tot de elite behoorden, of zelf vonden dat ze erbij hoorden, een nieuwe belasting opgelegd. Om een pruik te mogen dragen dienden ze een patent op haarpoeder te kopen. Een in feite moderne vorm van weeldebelasting, waarop de gemeenten opcenten mochten heffen.

 

Op 1 januari 1806 kregen 80 Tielenaren, die tot de elite behoorden, of zelf vonden dat ze erbij hoorden,  een nieuwe belasting opgelegd. Om een pruik te mogen dragen dienden ze een patent op haarpoeder te kopen. Een in feite moderne vorm van weeldebelasting, waarop de gemeenten opcenten mochten heffen.

Het dragen van een pruik gaat ver terug in de geschiedenis. Een man met gegolfde lange haren was een mooie man. Aan zijn lange manen konden in de volksverbeelding zowel moreel overwicht als lichaamskracht worden ontleend (Samson). In West-Europa waren het vooral de franse en engelse koningen die met fraaie pruiken het voorbeeld gaven dat door de adel serviel werd gevolgd

De Engelse koning James II (1633-1701)

Niet door de gewone man. Want een pruik was duur – zeker als die van mensenhaar was gemaakt. Te warm voor wie hard moest werken  terwijl in menig ambacht te lange haren vaak in de weg zouden zitten. Maar voor de elite was “een man zonder  mooie haren als een pauw zonder veren”. Aardige bijzonderheden daarover op http://www.hollandhair.nl/nl/geschiedenispruik1/

Natuurlijk moesten de franse revolutionairen die in 1793 hun koning en koningin onthooffden en in 1795 hielpen ons land te verlossen van de aristocratie, niets hebben van de pruik. Die was immers het statussymbool van hun onderdrukkers. Daarom kwam er eerst in Frankrijk en kort daarna ook in Nederland een verbod op het dragen van een pruik.

In ons land vloeide er geen bloed bij de revolutie en kwamen ondanks vrij veel gekrakeel al vrij snel gematigder figuren aan de macht. Een van hen was Izaak Gogel (1765-1821) patriot en ideologisch door de Verlichting geïnspireerd politicus met een Hollandse handelsgeest. Hij wordt gezien als de vader van het nederlands belastingstelsel. In 1796 werd Gogel gekozen tot lid van de Nationale Vergadering. Dat was van korte duur, maar hij bleef – ondertussen een goed renderend bedrijf opbouwend – de politiek bestoken met tal van geschriften.

In de jaren 1804-1805 werd hij door de raadspensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck gepolst om een belastingstelsel te ontwerpen. Daaraan was grote behoefte ook omdat de franse voor wat zij zagen als het herstel van de natuurlijke ordening in de lage landen, een forse rekening presenteerden. De nieuwe wet kwam tot stand enkele dagen voordat Napoleon de raadspensionaris ontsloeg en van ons land een koninkrijk maakte onder leiding van zijn broer Lodewijk Napoleon.

De wet, die op 1 januari 1806 in werking trad, heette de Patentwet. Een betrekkelijk gering onderdeel daarvan betrof de belasting op haarpoeder. De pruik was ondertussen al weer lang teruggekeerd als statussymbool; wie er een droeg gebruikte haarpoeder zodat dit spul formeel belast werd. De belasting was gemakkelijk te controleren – de belastingpachter zag in een oogopslag of een pruikerdrager, voorkwam in zijn kohier.

Om een pruik te mogen dragen was een patent nodig en daarvoor moest jaarlijks vijf gulden naar de rijkskas. De gemeente mocht daar naar eigen inzicht tot een maximum van vijf gulden bovenop zetten – in nagenoeg alle steden moest er dus 8 a 9 gulden per jaar betaald worden om een pruik te mogen dragen. In Tiel veranderde de magistraat die opslag nogal eens in de drie jaren dat de “haarpoederbelasting heeft bestaan. Er kwam een eind aan in 1810 omdat toen de franse wetgeving werd ingevoerd.

In Tiel waar rond 1800 relatief veel renteniers, notarissen en rentmeesters woonden, werden waarschijnlijk relatief veel pruiken gedragen. In de tweede helft van de 18e eeuw woonden er in de stad  dan ook niet minder dan tien pruikenmakers. Dat waren: Bastiaan van den Bender; Nicolaas Murse; Philip Paret die zich vanuit Hamburg in Tiel vestigde; Pieter Pauw; Johannes van Straaten; Karel van Straten; George D Wagener, die uit het Land van Kleef was gekomen; Tieleman Wilhelmus; Frederick Zeydelaar en Gerrit Willem Zeydelaar. Voor enkele van hen was het pruikenmaken een bijbaantje en de heren hadden natuurlijk ook klanten uit de omgeving.

 

Een patentbrief uit Den Bosch waarop de “opcenten” in rekeningen worden gebracht

Het waren vooral mannen, die in 1806 in Tiel een haarpoeder-patent kregen. Er waren slechts twee zelfstandige vrouwen bij – de weduwe Boesses en mevr. G.C. Tielenius Kruythoff – en vier notabelen kochten ook voor hun echtgenote een patent. Uit de lange lijst van patenthouders blijkt hoezeer de pruik het statussymbool was van de elite. Alle leden van de magistraat en het tribunaal hadden er een. De predikant Willem de Roo droeg een pruik, evenals de stadschirurgijn Nicolaas van Lookeren, vier notarissen en vijf advocaten/procureurs/praktizijns. Maar ook een dozijn zakenlieden die erbij wilden horen  – dat waren b.v. de horlogemaker Dirk Johannes Mom; drie wijnhandelaren, de traskoopman Jan Tilanus en de houthandelaar Rombout van Riemsdijk. De gepensioneerde kolonel Willem Spiering van Beloys, had er een voor zijn knecht Johan Adriaans, die in livrei op de bok stapte.

 

De afbeeldingen van Tielse pruikendragers komen uit de collectie Smit/Kers.

 

 

Comments
Loading...