Kleerekooper

Door Huub van Heiningen op dinsdag 25 augustus 2015, geplaatst in Historie.

Een eeuw geleden was hij dagelijks in het nieuws: ABK oftewel Asser Benjamin Kleerekooper (1880-1943), joods journalist en welbespraakt kamerlid voor de SDAP. De meest besproken politicus van zijn tijd werd geboren en groeide op in het huis op de hoek van de Sint Agnietenstraat. Eeuwen eerder woonde op deze locatie de biechtvader van de nonnen. Na hem volgden de eerste predikanten en in de 19e eeuw werd het de Joodse school. Dat is nu al weer jarenlang een computerwinkel. Tiel veranderde.

De Gelderse geschiedschrijvers Pontanus en Van Slichtenhorst zagen in Tiel een zeer godvruchtige stad. In geen andere stad immers was een zo groot deel van de bebouwde en onbebouwde grond eigendom van “geestelijke conventen”. Het kapittel van Sint Walburg had nabij de Burense Poort een heel “kwartier” van de binnenstad in bezit. Aan de andere kant van de stad nabij de Westluidense poort behoorde een ongeveer net zo groot gebied aan het Agnietenklooster. Dat strekte vanaf de Westluidensestraat tot aan de Sint Maartenskerk (zie kaartje).

De nonnen hadden een eigen biechtvader voor wie op de hoek van de Agnietenstraat en de Westluidensestraat een “Patershuys” was gebouwd. Dat moet een groot huis zijn geweest. Want het werd in 1581, na de invoering van de Reformatie, betrokken door de eerste vaste predikant Johannes van Vreden en die kon enkele decennia later ook nog woonruimte bieden aan het gezin van de tweede predikant, zijn schoonzoon Alardus de Vries. Beiden waren Remonstrant en werden daarom in 1618 als gevolg van de Dordtse Synode, ontslagen. Maar “Jan de Pastor”, zoals de eerste predikant ook wel genoemd werd, had bij het stadsbestuur zoveel goodwill opgebouwd dat hij tot zijn dood in 1636 mocht blijven wonen. Vanaf 1620 deelde hij het Patershuys met de derde predikant, Bertramus van van Laar. Het ondertussen erg in verval geraakte huis, werd nog in 1636 verkocht aan de houthandelaar Rutger Cornelis de Man.

Ruim anderhalve eeuw bleef de hoek daarna in handen van Tielse ondernemers, totdat in 1795 de “Bataafse Revolutie” de politieke verhoudingen op zijn kop zette. Er woonden in Tiel al enkele eeuwen enkele Joodse ondernemers, die ook hier door de regenten werden behandeld als derderangs “smousen” die het verboden was op zichtbare wijze de eigen godsdienst te belijden. Het waren gewiekste kooplieden en ondanks tegenwerking van o.a. de gilden, hadden enkele leden van de Joodse familie Hijmans tegen het eind van de 18e eeuw via de lucratieve tabakshandel een zeker welvaartsniveau bereikt. Die kochten dus in 1798, toen de scheiding van kerk en staat was ingevoerd, het grote oude huis op de hoek van de Agnietenstraat met de aanpalende ruimte om er te wonen en een deel van het huis als kerkgebouw in te richten. De bedoeling was naast het huis een synagoge en eigen school te bouwen en in Tiel een Israëlische begraafplaats te stichten.

De snel verslechterende economie gedurende de z.g. Franse tijd verhinderde dat en na de Restauratie van 1815 selecteerde de koning de stadsbestuurders van Tiel uit de regentenfamilies van vóór 1795, die de Joden nu eenmaal minder welgezind waren. Ze deden dus vergeefs een beroep op de gemeente om een subsidie voor de eigen armenkas of dito school en toen in 1827 Godschalk Hijmans en Jacob Kok, kerkmeesters van de Israëlitische gemeente grond trachtten te kopen voor een eigen begraafplaats op het uitgestrekte Vrijthofterrein, keurde het stadsbestuur de plannen af. Twee jaar later kon de Joodse gemeenschap een stuk grond kopen met een boerderijtje erop, gelegen bij de oude Zandwijkse Molenwerf en dat mocht wèl de (nog bestaande) Israëlitische begraafplaats worden. Daarna lieten de Joden geheel uit eigen middelen een geheel nieuwe synagoge bouwen, die op vrijdag 22 februari 1839 met een plechtig inwijdingsfeest in gebruik werd genomen. Ook dat gebouw bestaat nog en is door de gemeente als moskee in gebruik gegeven aan een Islamitische gemeenschap.

Zowel in 1844 als in 1847 vroeg “het Manhigin van de Israëlitische Ringsynage” vergeefs aan de gemeenteraad van Tiel om een subsidie voor een schoolgebouw. Maar er was ook een beroep gedaan op de rijksoverheid en die liet in 1851 aan het stadsbestuur weten 300 gulden subsidie te willen verlenen als de gemeente ook zelf met minimaal hetzelfde bedrag over de brug zou komen. Op 23 april 1851 gaf de gemeenteraad 300 gld subsidie en enkele weken later begon de bouw van een geheel nieuwe Joodse school met onderwijzerswoning. Aannemer was Dominicus van Baars, die het werk had aangenomen voor 2.760 gulden.

In dit pand werd op 22 september 1880 Asser Benjamin Kleerekoper geboren, die een van de bekendste politici van zijn tijd zou worden. Zijn vader was Samuël Chanana Kleerekooper, die niet alleen de in hetzelfde pand gevestigde school voor lager onderwijs aan Joodse kinderen leidde, maar ook godsdienstles gaf aan de Bijzondere Israëlitische School van A. Hirsch aan het Hoogeinde en aan het Stedelijk Gymnasium Hebreeuws doceerde. De jonge Asser doorliep het gymnasium in Tiel en ging daarna in Utrecht rechten studeren. Die studie maakte hij echter niet af – door zijn onrustige geest lukte het hem niet systematisch te studeren, zoals hij zelf schreef. Na het behalen van zijn kandidaatsexamen trad hij dan ook in dienst van “De Telegraaf”.  Onder het pseudoniem “Kijker” schreef Asser daarin hoofdartikelen, schetsen en rechtbankverslagen.

In zijn studententijd werd hij zionist en vanaf 1905 tot 1909 was hij hoofdredacteur van “De Joodsche Wachter”. Aanvankelijk poneerde hij de stelling dat zionisme en socialisme onverenigbaar waren, maar een cursus van Herman Gorter en zijn medegevoel voor armen en onderdrukten dreven hem naar het socialisme. Op 22 september 1909 werd hij lid van de SDAP en vanaf die tijd trok hij avond na avond het land door om propaganda te maken voor het socialisme en geld in te zamelen voor een jeugdhuis van de AJC, stakende textielarbeiders etc. De roodharige zeer begaafde spreker en debater trok weldra volle zalen. Hij was slagvaardig en geestig, sleepte zijn toehoorders mee en kwam nooit van een bijeenkomst terug zonder nieuwe leden voor de SDAP geboekt en/of een behoorlijk bedrag ingezameld te hebben.

In 1913 werd Asser Kleerekooper lid van de gemeenteraad van Amsterdam en in hetzelfde jaar veroverde hij een zetel in de Tweede Kamer. Hij werd gekozen als lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland en maakte van 1914 tot 1931 lid van het partijbestuur van de SDAP.

Vanaf zijn benoeming als volksvertegenwoordiger was Asser ook als publicist onvoorstelbaar actief. Hij schreef hoofdartikelen voor “Het Volk”, (later Het Vrije Volk), het partijblad “Voorwaarts” en de populaire “De Notenkraker”.  Vanaf 1915 tot 19 mei 1940 schreef hij vrijwel dagelijks en zonder onderbreking zijn columns “Oproerige Krabbels” in het socialistische dagblad. Korte puntige stukjes, scherp en vaak vol Joodse humor. Daarvan zijn er ruim 7.000 verschenen ! Zijn bijdragen in De Notenkraker ondertekende hij met een davidster met daarin de letters OK (Oproerige Krabbels). In andere bladen schreef hij onder het pseudoniem “Adam van Tiel”. In 1931 werd hij getroffen door een beroerte, waaraan hij blijvende beperkingen over hield en niet meer kon lopen . Hij bedankte als lid van de Tweede Kamer maar bleef actief als publicist – ook al moest hij zijn stukken nu dicteren en laten uitschrijven. Op 10 mei 1940 verscheen zijn laatste Oproerige Krabbel.

A.B. Kleerekooper had geen last van bescheidenheid en kon in woord en geschrift zijn tegenstander vrij ongenuanceerd afrossen. (bij dit artikel zijn enkele stukken van hem uit De Notenkraker gevoegd om zijn stijl te leren kennen). Zijn publicaties zijn vaak gekruid met vileine Joodse humor, maar literaire hoogstandjes zal men er niet in treffen. Hij sprak en schreef echter de taal, die vooral de arbeiders verstonden en is dan ook voor de ontwikkeling van het socialisme in ons land van grote betekenis geweest.

Uiteraard riep hij veel weerstanden op en gewaagden andere media vaak van “de beruchte Kleerekooper” (ook daarvan is een voorbeeld bijgevoegd). Het moet hem vooral getroffen hebben dat de nationaalsocialisten poogden over zijn rug de SDAP te splijten. Dat deden ze door de lof te zingen van de ook door Kleerekooper zeer bewonderde Troelstra om daarna te concluderen dat na diens dood in 1930 de SDAP in handen was gevallen van Joden als Kleerekooper, Miranda en Polak die de partij hadden uitgeleverd aan het arbeidersvijandige internationale zionisme.

Zijn laatste, net na de Duitse inval gepubliceerde Oproerige Krabbel ging over verdraagzaamheid. De laatste jaren van zijn leven verbleef Asser in Joodse verpleeginrichting. Hij stond op het punt met andere geloofsgenoten gedeporteerd te worden, maar zijn dood op 14 april 1943 verhoedde dat. Op een van zijn laatste levensdagen werd hij bezocht door Willem Drees, de latere minister-president.

Met zijn geboortestad Tiel had Asser niet veel op, hoewel hij in 1929 met een grote rode vlag voorop liep toen de plaatselijke SDAP op 1 mei een demonstratieve optocht door de binnenstad organiseerden. Tiel was een bleef in zijn ogen toch wat antisemistisch. In een van zijn puntige stukjes vertelt hij dat in zijn jonge jaren als jood was uitgescholden in “het buurtje van Mulders” (aan het eind van de Kwelkad). Met veel ergernis kon hij ook terugkijken op de Tielenaren die in 1898, toen zijn moeder ter aarde werd besteld, de stoet zagen passeren en riepen “daar gaat die jodin”.

Maar het lijkt ook andersom te zijn. Er is geen straat naar hem genoemd. Een oud-burgemeester van Tiel, Geurt Borrie, had het plan een biografie te schrijven van Asser Benjamin Kleerekooper. Het is er echter niet van gekomen.

Wat er met de ooit bloeiende Joodse gemeenschap in Tiel is gebeurd is recent beschreven door Tjeerd Vrij in zijn beklemmende boek “Bittere tranen”.

Een schets waarop het gebied van het St Agnietenklooster en dat van het St Ceciliaconvent vóór de Reformatie zijn aangegeven.Een schets waarop het gebied van het St Agnietenklooster en dat van het St Ceciliaconvent vóór de Reformatie zijn aangegeven.De situatie volgens de eerste kadasterkaart van 1833, waarop niet-particuliere (belastingvrije) goederen in blauw zijn aangegeven. In de kerk van het Agnietenkloostere zetelde de Latijnse school. Daarnaast het Patershuis.De situatie volgens de eerste kadasterkaart van 1833, waarop niet-particuliere (belastingvrije) goederen in blauw zijn aangegeven. In de kerk van het Agnietenkloostere zetelde de Latijnse school. Daarnaast het Patershuis.Foto's van Kleerekoper uit tijdschriften uit resp. 1910, 1931 en 1933Foto’s van Kleerekoper uit tijdschriften uit resp. 1910, 1931 en 1933Gedenksteen in het pand Agnietenstraat 32Gedenksteen in het pand Agnietenstraat 32Voor de ingang van de voormalige synagoge, met de uit 1875 daterende zuilen, is een Joods gedenkteken gemaakt.Voor de ingang van de voormalige synagoge, met de uit 1875 daterende zuilen, is een Joods gedenkteken gemaakt.Enkele pagina's uit De NotenkrakerEnkele pagina’s uit De NotenkrakerKnipsel uit de Katholieke Illustratie van 15 november 1922Knipsel uit de Katholieke Illustratie van 15 november 1922Leerlingen van het Tielse Gymnasium. Rechts (onder X) KleerekooperLeerlingen van het Tielse Gymnasium. Rechts (onder X) Kleerekooper

Comments
Loading...