Betuwnaren en karakter

Door Walter Post op maandag 24 augustus 2015, geplaatst in Historie.

Het boekje van Karel Lantermans uit 1938 over het karakter van de Betuwnaren liet me weer eens zien hoe veel en hoe weinig ook de streek is veranderd. Hoe we algemene trekken delen, en wat er om onverklaarbare redenen soms zich alleen maar in een bepaalde streek ontwikkelt. En even snel weer weg is.

Je hoort het nog vaak: de Betuwnaar is een eigenaardig mens. Waarna een min of meer geinformeerde reeks kenmerken wordt geschetst. Die gaan alleen niet echt meer op: de oorspronkelijke boerenbevolking, de arbeiders uit de Tielse fabrieken of de hereboeren uit de wijde omgeving zijn niet de enigen meer. Er is een bonte stoet mensen bijgekomen, die zich hier al bijna een eeuw lang thuis voelen. Net als degenen die vanuit omliggende delen van het land sinds de vroege middeleeuwen hierheen kwamen. Soms ook omdat ze elders iets op hun kerfstok hadden en Tiel of Culemborg een soort van vrijplaats voor hen vormden.

Je ziet het nog terug in de vele namen die je tegenkomt: ze heten hier Van Kessel, Van Breda, Van Ooijen. De Betuwnaar was een hardwerkende, veelal niet echt rijke man of vrouw. Vol humor, maar vaak met verborgen verdriet waarover hij of zijin het openbaar niet snel bericht zal doen. ‘Hij lacht wel, maar hij het gin schik’ heet het dan in het voorbijgaan. Alhoewel, zo stelt ook Lantermans, humor is voor de Betuwnaar van groot belang. Maar hij klapte in die jaren snel dicht, zeker wanneer er door mensen die ‘hoger’ geplaatst waren op de maatschappelijke ladder, een beetje op hem of haar werd neergekeken. “Niemand wordt graag uitgelachen, maar bij den Betuwnaar is deze trek zo sterk uitgegroeid, dat het hem weerhoudt vaak om èèn woord te zeggen, of een vinger te verroeren. Daardoor lijkt hij gevoelloos, lui. Hij houdt niet van experimenten, is conservatief.”

Vreselijk initiatiefrijk is de Betuwnaar zoals Lantermans die beschrijft evenmin. Dat komt volgens hem omdat de Betuwnaar zeker driehonderd jaar lang leefde van de tabaksteelt. Want die was hier tot begin vorige eeuw net zo belangrijk als de fruitteelt nu. Dat vergde de hele jaar werk, maar vroeg geen enorme inspanningen. Iedereen  op het platteland had een gedoetje: koetje erbij, akkertje, een moestuin. Rijk waren ze niet, maar wie rustig aan doorwerkte leed geen honger.

De Betuwnaar van toen liet zich wel leiden door bazen, notabelen en bestuurders, maar nooit dwingen. In dat opzicht nu is er weinig veranderd, is mijn ervaring. In de oude gemeenteraden, vlak na de herindelingen van eind jaren zeventig kwam je de echte Betuwnaar nog wel tegen. Heel soms zitten er nog in de raden, maar de bevolking is allang niet meer streekeigen, dus dat is een zeldzaamheid geworden.

Toch is dat geloven in eigen gelijk, op je eigen erf doen wat jou bevalt en verder gewoon je werk doen nog wel aanwezig. Dat zie je bijvoorbeeld aan de maar heel langzaam veranderende cijfers over sociaal-economische gezondheidsverschillen in de Betuwse bevolking, zoals de GGD die publiceert. De inwoners van het rivierengebied zijn eigenlijk niet arm, hebben over het algemeen werk in eenvoudige beroepen (de slimmerds trekken naar de grote steden voor studie en blijven dan meestal weg) maar tonen soms onthutsende gezondheidsproblemen. Stapje voor stapje wordt daar verbetering in gebracht, maar het karakter van de inwoners zit de gezondheidszorgers nog steeds wel in de weg. Een Betuwnaar laat zich weinig aanwrijven. 

Lantermans’ boekje is verhelderend. Hij trekt de fabels weg die schrijver Jacob Cremer eind negentiende eeuw rond deze streek bedacht, maar het beeld dat hij schetst is ook duidelijk de situatie van 1938. En die is niet helemaal meer over de mensen in dit gebied te leggen. Wat ik zeggen wil: neem mensen maar zoals ze nu zijn, sterotypen zijn altijd mis.

Of zoals een boer tegen Lantermans ooit zei over het karakter van de Betuwnaar, in een ongemeen openhartig gesprek: ‘Gin wonder dat wij mitte pit niet te koop loope. Dat zit binnen ien. En niet zoals bij ’n vlierhoutje: een heel dik stuk onder een dun bestje. We lijken meer op de noot: de grune bast die iedereen ziet, buitenkant. De harde schaol die je niet vaak ziet en dan de kjel, de pit. Daor kumt ’t mar op aon’.

Comments
Loading...