Woonwagenkamp

Door Huub van Heiningen op zondag 11 oktober 2015, geplaatst in Historie.

Terwijl er in Tiel een met drie ME-korpsen versterkte politiemacht op de been was, sloegen op donderdag 6 april 1972 net buiten de stad de bewoners van een nieuw regionaal woonwagencentrum de boel kort en klein zonder dat het gezag een vinger uitstak. Pas een week later ging de politie er met een enorm machtsvertoon naar toe om de orde te handhaven. Zonneklaar is dat in die hectische dagen het gezag faalde. Misschien wel doelbewust.

De destijds vertrouwelijke stukken kunnen nu ingezien worden. Ze leveren een ontstellend beeld op van een volstrekt verziekte relatie tussen overheid en een groep inwoners. Er werd – met goede bedoelingen – over het lot van de woonwagenbewoners beslist zonder hen erin te kennen. Daardoor is voor tientallen miljoenen aan gemeenschapsgeld weggegooid. De geweldsexplosie in Tiel leidde tot een principieel ander beleid ten opzichte van de woonwagenbevolking. Maar ook uit recente publicaties blijkt dat in Tiel de verhoudingen tussen woonwagenbewoners en het gemeentebestuur nog altijd te wensen overlaten.

Vast staat dat het gemeentebestuur van Tiel en de leiding van het politiecorps verwachtten dat de woonwagenbevolking op die bewuste donderdag in opstand zou komen. Daarvoor waren immers de ME-korpsen uit Nijmegen, Arnhem en Apeldoorn naar Tiel gehaald. Er werd gevreesd dat er klappen zouden vallen in of bij het kantoor van sociale zaken aan de Binnenweg en het gemeentehuis in de Ambtmanstraat. Die gebouwen werden zwaar bewaakt. Toen echter rond het middaguur bekend werd dat de boel op het nieuwe ingerichte woonwagencentrum aan de Passewaaijse Rondweg zou worden vernield, weigerde de politie daar heen te gaan. De richtlijn om daar weg te blijven kwam, zo is later op schrift gesteld, van de Mobiele Eenheid, de rijkspolitie dus. Maar was het toeval dat zowel Pijl, de corpschef van de gemeentepolitie als burgemeester Borrie juist die dag op vakantie waren ?

Ooggetuige

Omdat ik er persoonlijk bij betrokken was herinner ik me de situatie als de dag van gisteren. Kort tevoren was ik met mijn vriend David van Ooijen op het woonwagencentrum geweest en ik kende daar woonwagengezinnen die vanaf het kampje in Wamel naar Tiel gedirigeerd waren. Het gemeentebestuur van Tiel had per 1 april 1972 alle bijstanduitkeringen aan de kampbewoners stopgezet en ik wist dat daardoor een zeer gespannen sfeer ontstaan was. Op het woonwagencentrum zelf had ik ook gehoord dat daar in het voorafgaande weekend ontevreden bewoners van andere regionale kampen waren geweest om de boel op te hitsen.

Toen die morgen de binnenstad volstroomde met politie heb ik uiteraard als journalist (van De Gelderlander die in Tiel toen De Nieuwe Krant heette) gevraagd wat er aan de hand was. Mij werd toen verteld dat er een grote bende woonwagenbewoners onderweg was om in Tiel de boel kort en klein te slaan. Ik besloot die stoet op mijn bromfiets tegemoet te gaan maar kwam, zonder onderweg iets bijzonders gezien te hebben, op het woonwagenkamp terecht. Daar werd ik op de koffie genodigd door “Moeke Reuvers” die ik kende van het kampje in Wamel.

Zij vertelde me dat er een delegatie van een stuk of zes woonwagenbewoners naar de Binnenweg was om te verlangen dat alsnog bijstandsuitkeringen zouden worden verleend. Die mannen werden rond 12 uur terug verwacht en als ze dan met lege handen kwamen zou op het kamp in “de kerk”, het schooltje en de douchegebouwen de boel kort en klein geslagen worden. De vrouw vond het geen gek idee dat ik de politie zou gaan waarschuwen. “Het gaat om Haags beleid – daar zouden ze naar toe moeten gaan. Ze hebben allemaal een grote mond maar als er hier een paar politie-auto’s het terrein komen oprijden, schijten ze in de boks”.

Ongeloof

Maar in de stad geloofde niemand dat ik op het kamp was geweest. De politie voor het stadhuis maakte me duidelijk dat de burgemeester of de corpschef wel belangrijker dingen te doen hadden dan naar een gefantaseerd verhaal te luisteren. Ronduit grof was een “platte pet” aan de Binnenweg: “Sodemieter op man met je geouwehoer – probeer de kat wijs te maken dat je op het kamp bent geweest” etc. etc.

Er restte me dus niets anders dan gewoon naar het kamp terug te gaan, waar ik getuige was van de terugkeer van de delegatie. De mannen vertelden opgewonden hoe ze aan de Binnenweg door een grote overmacht aan politie waren opgewacht. “Alsof we gevaarlijke misdadigers waren” hadden ze één voor één, begeleid door aan beide armen een politieman, naar binnen gemogen. Binnen was hen kort en bondig verteld, dat er aan het beleid niet getornd zou worden en geen kampbewoner nog een uitkering zou krijgen.

Men begon toen met het blokkeren van de toegangsweg met oude auto’s en meubilair. De toegang werd verder bewaakt door een stuk of acht met knuppels gewapende mannen, die mij belette het kamp te verlaten toen het spektakel begonnen was. Ik kon dus niets anders doen dan vanuit de veilige woonwagen van de familie Reuvers het schouwspel van nabij volgen.

Er werd veel geschreeuwd, iemand zwaaide met een Flaubert en ongeveer twintig jongelui sloegen met knuppels alles kort en klein wat geen bezit was van woonwagenbewoners. Al in een dik uur was de klus geklaard waarna zes woonwagens aan een auto gekoppeld het kamp verlieten. Voor hen werd de blokkade op de toegangsweg geopend en ook ik kon, vriendelijk nagezwaaid, het kamp verlaten. Ook in de daarop volgende dagen zijn er op het woonwagencentrum nog vernielingen aangericht, want de politie liet zich pas een week later zien. Met veel machtsvertoon, zwaar bewapend en met kranen en diepladers.

Voor mij had de opstand een vervelende nasleep. Uit mijn verslag in de krant had het gezag terecht geconcludeerd dat ik ooggetuige was geweest. Daarom werd ik dagenlang keer op keer naar het bureau gehaald om daders te noemen of om met de politie mee te gaan naar het kamp en daar daders aan te wijzen. Dat vertikte ik. Ik kende de meeste oproerlingen niet van naam en al heel snel waren de meeste kampbewoners vertrokken. Maar ik wilde ook geen handlanger zijn van een gezag dat zo ernstig had gefaald. We waren dus knap chagrijnig aan beide kanten en dat is vrij lang zo gebleven.

Twijfels

Toen in Tiel in 1969 begonnen werd met de aanleg van het regionale kamp, waren er al volop signalen die erop wezen, dat het beleid om woonwagenbewoners bijeen te drijven op centrale kampen, zou mislukken.  Een belangrijk deel van de 50 regionale woonwagenkampen, die ons land volgens de Woonwagenwet 1968 zou krijgen, was al gerealiseerd. Ook daardoor kwamen er, zo werd later gesteld, op het Tielse woonwagencentrum elementen terecht, die elders niet welkom waren. Maar in veel van de 35 aan de gemeenschappelijke regeling deelnemende gemeenten waren er spanningen tussen woonwagenbewoners en de sedentaire bevolking. Op 23 september 1970 hadden de inwoners van Deil het plaatselijke woonwagenkampje letterlijk leeg geknuppeld en dat had zelfs tot vragen in de Tweede Kamer geleid. Bezwaren van woonwagenbewoners werden dus – evenals die van de agrariërs uit Zennewijnen, die nieuwe buren zouden krijgen – terzijde geschoven. Heel veel bestuurders in het Rivierengebied handelden met oogkleppen voor – het woonwagenvolk moet zo snel mogelijk naar Tiel, dan zij wij hen tenminste kwijt, was het devies.

Het idee kwam van Marga Klompé, de eerste vrouwelijke minister van ons land en een van de meest idealistische en daadkrachtige bewindspersonen uit onze parlementaire geschiedenis. Zij loosde met onvoorstelbare overtuigingskracht in 1963 de Algemene Bijstandswet door het parlement en heette bij partijgenoten achter haar rug om “Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand”. Als minister van CRM was zij ook verantwoordelijk voor de totstandkoming van de Woonwagenwet 1968. Doel daarvan was “de woonwagenbewoners uit hun maatschappelijke en culturele isolement te halen en te laten integreren in de samenleving”. In wezen eigenlijk het “uitsterfbeleid” dat Tiel nu hanteert, maar dan veel mooier verpakt.

Op centrale kampen zou gezorgd moeten worden voor het geestelijk en lichamelijk welzijn voor de bewoners. Liefst op elk woonwagencentrum een dokterspost, in elk geval een schooltje met verplicht onderwijs om de kinderen op te voeden tot normale burgers, een dag en nacht bemande politiepost waar de bewoners ook terecht zouden kunnen voor juridische adviezen, een geestelijke verzorger, goede hygiënische was en toiletblokken en een verzamelingsgebouw dat ook als kerk kon dienen. Want nagenoeg alle woonwagenbewoners waren – op papier althans – katholiek. Maar er hoorde ook een trekverbod bij. Want het einddoel was integratie in de burgersamenleving en tenslotte het overbodig worden van woonwagenkampen.

Geweld

Al in de zomer van 1970 startte het vierklassige schooltje en op 27 augustus werd het regionale woonwagencentrum officieel geopend. Maar het ging al snel mis. De eerste bewoners kwamen vrijwillig maar toen in juli 1971 alle locale kampjes formeel werden gesloten en de bewoners daarvan de mededeling kregen dat ze per 1 oktober 1971 weg moesten wezen en zo nodig met geweld naar Tiel zouden worden gesleept, verhardden de humeuren. Een deel van de nieuwe bewoners ging er snachts op uit om in de omgeving de aardappels te rooien en de appels werden op klaarlichte dag soms met tak en al van de bomen getrokken. Toen het kamp zou worden aangelegd was aan de agrariërs in de omgeving toegezegd dat eventuele schade zou worden vergoed, maar nu ze al dan niet via hun eigen vakorganisaties met declaraties naar het stadhuis  kwamen, kregen ze te horen dat de gemeente en heet regionale bestuur niet verantwoordelijk waren zodat de boeren maar moesten trachten via een civiele procedure hun schade te verhalen op de daders. Op het gemeentehuis van Ophemert, waaronder Zennewijnen toen nog resorteerde, waren nog nooit eerder zoveel vergunningen gevraagd om een jachtgeweer te mogen hebben.

Ook op het centrum escaleerde de situatie in snel tempo. Woonwagenbewoners hebben over het algemeen sterke familiebanden – er waren “clans” waarbinnen men elkaar door lief en leed bijstond. En beschermde tegen andere families of personen, waartegen men vanouds een aversie had. Die onderlinge haat en nijdverhoudingen brachten ze mee naar het kamp, waarin ze ook nog elkaars concurrenten werden in het kleine beetje “handel” dat er voor de woonwagenbewoners was overgebleven. Er waren dus veel vechtpartijen en de ervaren politieman, die als beheerder op het kamp was gestationeerd, gaf het al in de eerste maanden van 1972 op om weer terug te keren in het veiliger nest van het corps.

Bijstand

Aanvankelijk kregen alle bewoners van het nieuwe regionale centrum een bijstandsuitkering en dat was uiteraard voor veel buitenstaanders een steen des aanstoots. Ook voor de bestuurders (burgemeesters of wethouders) uit de omliggende gemeenten. “Een jongen uit ons dorp die zich krom werkt op de steenoven, heeft verkering met een meisje van het kamp. Binnenkort gaat hij trouwen en koopt hij een woonwagentje en dan hoeft hij nooit van zijn leven meer te werken”, heette het in een bestuursvergadering. Daarin kon het nog erger. De woonwagenbewoners werden paria’s genoemd, of parasieten van de samenleving. “Het zijn net ratten – als ik twee ratten in mijn schuur heb en ik doe er niks aan, weet ik ook zeker dat ik er volgend jaar honderd heb”. Het is geen vrolijke litteratuur die bundels met notulen van de bestuursvergaderingen.

Om erachter te komen hoezeer deze medaille een keerzijde had, hoefde men slechts op het nieuwe kamp zo af en toe het trapje te beklimmen om eens binnen te informeren naar de omstandigheden. De tranen liepen bij een vijftiger over de wangen toen hij het vertelde. “Op het dorp verdiende ik mijn kostje – iedereen kende me en ik kwam regelmatig bij elke bewoner. Er was altijd wel wat handel – oud ijzer, vellen of lompen – kocht en verkocht van alles. Maar ik heb hier geen hit meer en geen kar. Wie wat handel hierheen haalt, moet eerst wat vierkante meters huren op het gemeenschappelijk sloopterrein. Als daarop iets van waarde komt te liggen, wordt het gejat. Als men er hier achter komt dat er ergens wat handel ligt, stormen ze er met twintig man tegelijk op af. We kunnen ook niet meer langs de deuren gaan – vaak wordt je met een dubbelloops van het erf gejaagd. Kan iemand mij vertellen hoe ik hier mijn eigen kostje kan verdienen ?” Eén verhaal uit zestig andere.

De beslissing om per 1 april 1972 alle bijstandsuitkeringen in te trekken is waarschijnlijk tot stand gekomen in overleg met CRM, dat een vertegenwoordiger had in alle besturen van regionale woonwagencentra. Want ook in Almelo, Enschede, Winterswijk, Harderwijk en Driebergen werden de uitkeringen per 1 april gestopt. Het zijn allemaal kleine zelfstandigen (zzp-ers heet het tegenwoordig), zo werd geredeneerd, en als die de kost niet meer kunnen verdienen in de handel in oud ijzer moeten ze maar elders gaan werken. Een redenering waarbij uiteraard ook toen al de vraag werd gesteld of het wel etisch verantwoord was de uitkering van iemand in te trekken zonder hem of haar werkgelegenheid of het zicht daarop aan te bieden.  Uit die overwegingen zijn dan ook kort na de gebeurtenissen in Tiel het Regionaal Werkvoorzieningschap en de z.g. Beschutte Werkplaatsen ontstaan.

De schuldvraag.

Al op 12 april 1972  klaagde A.E.W. Monhemius, vertegenwoordiger van CRM,  in een openbare vergadering van het bestuur de burgemeester van Tiel en de politie aan wegens nalatigheid. Dat verwijt kwam in alle kranten en werd landelijk nieuws. Maar ook sommige bestuurders van kleinere gemeenten vroegen zich (vooral in besloten vergaderingen) hardop af hoe het mogelijk kon zijn, dat de woonwagenbewoners dagen achtereen ongestoord vernielingen konden aanrichten terwijl er een zo grote politiemacht op de been was. En of het nou wel echt toeval was, dat zowel de burgemeester als de corpschef van Tiel op vakantie waren gegaan, toen ze het geweld zagen aankomen. Een door de beschuldigingen zeer ontroerde burgemeester Borrie vertelde, dat hij een dag tevoren in het ziekenhuis was opgenomen voor een eerder uitgestelde behandeling. De corpschef Pijl had een klacht over het optreden van Monhemius ingediend bij de minister, het dagelijks bestuur bleef erbij, dat het optreden van de politie – oftewel niet-optreden correct was geweest en dat het een officier van de rijkspolitie was geweest, die in hoogste instantie besloten had dat de politie niet naar het kamp zou gaan. Over de schuldvraag, de kosten van herstel etc. is nog heel lang aan de touwen getrokken, terwijl ondertussen op landelijk niveau, vooral naar aanleiding van de rellen in Tiel, het trekverbod werd opgeheven en weldra de afzonderlijke gemeenten weer de plicht kregen opgelegd woonwagens te accepteren. 

Waarschijnlijk was het zo, dat men zich er binnen het dagelijks bestuur terdege van bewust was dat het centralisatiebeleid voor woonwagenbewoners een fiasco was geworden. Het zou dus beter zijn als het regionale kamp, dat het stadsbestuur en de omwonenden zoveel ellende bezorgde, maar verdween en de woonwagenbewoners maar weer ten laste zouden komen van de bestuurders van de kleinere gemeenten, die Tiel van alles verweten hadden. Het kamp moest verdwijnen. En wie kon je beter het vonnis laten voltrekken dan de partij die er het meeste belang bij had en er lol in beleefde en waar het ministerie daarenboven de rekening niet heen kon sturen ? Maar ik kan het natuurlijk ook mis hebben.

PS – meerdere illustraties en aanvullingen volgen nog: voor belangstellenden geldt dus: blijf kijken en uw reacties zijn welkom

Ooggetuigeverslag 7 april 1972Ooggetuigeverslag 7 april 1972twee dagen voor de geweldsexplosietwee dagen voor de geweldsexplosieDe ontruiming begintDe ontruiming begintBeschuldigingen door MonhemiusBeschuldigingen door Monhemiusseptember 1970september 197015 april 1972 protest van kampbewoners15 april 1972 protest van kampbewonersAugustus 1970 het beginAugustus 1970 het begin17 april 197217 april 1972Politie bij het kantoor van sociale zaken aan de BinnenwegPolitie bij het kantoor van sociale zaken aan de Binnenweg19 april ontruiming19 april ontruiming12 april 1972 David van Ooyen in Tiel12 april 1972 David van Ooyen in Tiel14 februari 1972 Raad belooft voor belangen agrariërs op te komen14 februari 1972 Raad belooft voor belangen agrariërs op te komen15 april 1972 Ontruiming dreigt15 april 1972 Ontruiming dreigtHuidige situatie ex woonwagenkamp op PassewaaijHuidige situatie ex woonwagenkamp op Passewaaij

Comments
Loading...