Brandstichter

Door Huub van Heiningen op zaterdag 4 juli 2015, geplaatst in Historie.

“Gemeenten vinden: nationale politie is niet van ons” kopten deze week de kranten. Dat riep ineens de tijden in herinnering – nu al weer decennia geleden – waarin Tiel nog gemeentepolitie had. Ook enkele elkaar opvolgende korpschef lieten merken dat interventie van de rijkspolitie als zeer hinderlijk werd ervaren.

De eerste na-oorlogse korpschef, André Suèr, was van nature een Bourgondiër (zijn wieg stond in Maastricht als ik me niet vergis). Hij had de handen meer dan vol aan de reorganisatie van zijn korps, de “zuivering”, de bijzondere rechtspleging en de teruggave van gestolen goederen die de Duitsers hadden achtergelaten. Hij riep me wel eens naar het bureau omdat de BVD informatie had verlangd. Dan begon hij met badinerende opmerkingen over bemoeizuchtige rijksdiensten; wisselde wat schuine moppen uit, waarna hij het “verhoor” eindigde hij met de opmerking dat voor mij werken bij de politie veel leuker zou zijn. Maar er viel een pak van zijn hart toen hij de Tielse funktie vanaf 1 januari 1964 kon inruilen voor een baan als hoofd van de regionale BB.

Zijn door burgemeester Stolk vanuit Gorinchem binnengehaalde opvolger, H.F.H. (Hendrik) Pijl kwam van origine uit Leeuwarden en was dan ook in menig opzicht de tegenpool van Suèr. Een man die ook van decorum hield en opviel als hij bij de gebruikelijke Nieuwjaarsrecepties van de gemeente kwam binnenmarcheren in gala-uniform met een enorme sabel langs de rode biezen van zijn broekspijp.

Met zijn voorganger had hij de aversie tegen de rijkspolitie gemeen, al liet hij dat niet zo uitbundig blijken. Uitbundigheid was hem sowieso vreemd.

Rond het middaguur van maandag 1 maart 1965 werd Tiel opgeschrikt door een enorme brand in de kistenloodsen van de toenmalige veiling T&O.  In de loods stonden 200.000 kisten en die brandden zo hevig, dat de met groot materiaal aanwezige Tielse brandweer assistentie vroeg van de korpsen uit Geldermalsen en Ochten. Daar kwamen weldra ook de brandweren uit Nijmegen, Kesteren en  Ophemert bij. Omdat gevreesd werd dat de intense vuurzee zou overslaan naar nabijgelegen woonhuizen stuurde wat later in de middag ook de Utrechtse brandweer vier wagens. Méér dan honderd brandweerlieden slaagden er tenslotte in te voorkomen dat de vlammen de op ongeveer dertig meter afstand gebouwde woningen bereikten.

Burgemeester Stolk (die op deze foto met de hoed zijn gezicht afschermt tegen de hitte) kwam kijken om zich door de brandweercommandant Beutener (naast hem) te laten informeren. Er werd uiteraard gezocht naar de oorzaak van de brand die snel gevonden leek te zijn. Maar ik kreeg van Pijl een cryptisch antwoord. “De Rijksrecherche is ook al hier en die heeft me verboden iets te zeggen of met de Pers te praten. Zij moeten eerst het onderzoek afgerond hebben en beleggen dan een persconferentie. Je weet het dus niet van mij, maar de brandstichter staat bij Jonkers in de Waterstraat in de etalage. Helemaal rechts”.

In die etalage stond een juist in productie gebracht oliekacheltje en het personeel vertelde dat de Rijksrecherche in de winkel was geweest. “Tegen  veilingloods aan stond een klein schaftkeetje van een schildersbedrijf en de schilders hadden het ding laten branden toen ze het keetje even afsloten. Ze wisten niet dat het kacheltje zoveel zuurstof gebruikt dat het ontploft als het brandend in een te kleine afgesloten ruimte staat”.

Ik kon nog net een vriend en collega van de Utrechtse krant blijmaken met de tip. Maar De Gelderlander kwam er het eerst mee. Zodat ik dinsdag 2 maart 1965 kort voor het middaguur op het politiebureau werd ontboden. Daar kwam ik tegenover een rijksrechercheur te staan en de korpschef Pijl, die me aan een streng verhoor onderwierp. “U zult ons moeten vertellen hoe u aan dat verhaal over dat kacheltje komt – eerder komt u hier niet weg”. Nadat ik eindeloos had herhaald dat ik het op een briefje had gevonden op de stoep van het stadhuis, kondigde Pijl met een strenge pokerface aan dat ik gegijzeld zou worden. “Ga thuis maar wat kleren en een tandenborstel halen”.

Een uur later werd ik op het bureau ontvangen door een wachtmeester, die me wees op mijn rechten en plichten. Een gegijzelde moest te eten worden gegeven wat hij thuis gewend was en desgevraagd ook van litteratuur voorzien worden. “Er is alvast een boek voor je gebracht”, zei hij. Dat boek bleek getiteld “Twee ambtsketens”. Een Haagse burgemeester haalt daarin herinneringen op en vertelt o.a. dat je journalisten beter maar niet kunt gijzelen omdat ze de bron toch niet bekendmaken en de politie fors op kosten kunnen jagen door dure maaltijden te eisen.

Een volgende verrassing volgde een uur later. Een agent kwam me zeggen “Denk niet dat we voor jou een bed opmaken. Ga maar thuis slapen maar kom morgenochtend bijtijds terug voordat die kakkers weer hier zijn”. De volgende morgen herhaalde de ceremonie zich – nu met twee rijksrechercheurs naast de korpschef. Die viel geen moment uit zijn rol en bleef me streng verhoren. Nadat de heren zich echter even hadden teruggetrokken voor beraad, volgde een nieuwe verrassing. “Wij willen niet opdraaien voor de kosten om u te eten en te drinken te hebben” vonniste Pijl. “Maar u wordt voor de toekomst uitgesloten van elke informatie van de kant van de politie. Ik heb even gefoeterd dat mij een gebraden haan door de neus geboord werd en heb het boek meegenomen.

Van uitsluiting heb ik niets gemerkt en Pijl heeft enige jaren later onverwachts het Tielse toneel verlaten. Het boek staat nog op mijn planken. Ik vermoed dat het van de burgemeester kwam.

Comments
Loading...