Beroepsgeheim

Door Huub van Heiningen op woensdag 1 juli 2015, geplaatst in Historie.

Het zou niet zo moeilijk zijn over Gerrit van Mourik (1912-1974) uit Deil, de zo’n halve eeuw geleden bij iedereen bekende en bij velen zeer populaire fotograaf, een schelmenroman te schrijven. Nimmer heb ik een zo initiatiefrijk en gedreven mens ontmoet als deze selfmade-man, waarmee ik van begin 1947 tot 1 mei 1953 (toen ik overstapte van freelance naar loondienst) heel intensief heb samengewerkt. Drie of vier maal per week kwam hij me s’morgens in Tiel met zijn auto ophalen om samen nieuws te gaan zoeken. Doorgaans met succes. Dan ging er nog dezelfde avond een stapeltje treinbrieven vanuit Geldermalsen naar de diverse krantenredacties. Met foto’s van Gerrit en teksten van mij.
De dag en nacht werkende fotograaf haalde een goede boterham uit zijn fotojournalistiek vol geheimen. Daarvan kan ik er nu, na zoveel jaren, wel een enkele onthullen. Zijn huidige vakgenoten zouden er niet ver mee komen, vrees ik.

Iedereen dacht dat Gerrit een fanatiek sigarenroker was, maar niets is minder waar. Vooral bij recepties van de overheid of bij grote bedrijven heeft hij honderden ‘lekkere segaren’ in het linker bovenzakje van zijn jasjes laten verdwijnen Daarvan heeft hij er geen enkele zelf opgerookt, want Gerrit rookte niet. Onder geen enkel beding. Als hem een vuurtje werd aangeboden hield hij dat af met bijvoorbeeld: “zo’n goeie sigaar bewaar ik voor vanavond met de benen op tafel, maar laat ik er ook nog eentje meepakken voor mijn chauffeur”. Ook die verdween dan in het bovenzakje. Letterlijk. Want daarvan was de bodem opengeknipt, zodat de sigaren in de voering terechtkwamen. Die kon hij aan de binnenkant met een rits openen. Terug in de auto, haalde hij de sigaren eruit. Het waren er wel eens acht of tien. Die gingen in een kistje, dat steevast in het handschoenenvakje stond.

Urenlang konden we kriskras door het hele Rivierengebied rijden; ook op zoek naar blauw op straat. Iedere politieman kende hem en geen van hen ontkwam eraan door Gerrit aangesproken te worden. ‘Speciaal voor jou heb ik een mooie sigaar meegebracht. Geniet ervan. Ik ben nog op zoek naar een leuk plaatje. Weet je wat?. Hier is trouwens mijn telefoonnummer. Als je ergens voor opgeroepen wordt vergeet dan niet je vrouw te vragen me direct te bellen’.

Met al die politiemannen/tipgevers had Van Mourik gemeen dat hij niks moest hebben van de marechaussee en de rijksrecherche. Op de morgen van 1 maart 1951 moesten we hals over kop naar Boven-Leeuwen waar in de uiterwaard een straaljager was neergestort. Van Mourik kiekte de nog rokende wrakstukken. Nog juist voordat het terrein werd afgezet door de marechaussee die prompt de camera in beslag nam. Dan stond bij Gerrit duidelijk zichtbaar het huilen nader dan het lachen. “ik heb vrouw en kinderen thuis en jullie nemen mij mijn boterham af. Haal dan in hemelsnaam het filmpje eruit, maar geef me mijn camera terug”. Dat kreeg hij wel voor elkaar en terug in de auto sloeg de stemming radicaal om. Want les 2 was: zorg dat je als fotograaf altijd een filmpje met blote vrouwen in je zak hebt en ruil dat razendsnel om met het echte filmpje als je iets geschoten hebt waarvoor de marechaussee belangstelling kan hebben. Geen blanco filmpje maar een pornofilmpje, want daar lopen die petten niet mee te koop. De foto’s van het wrak brachten veel geld op.

Jaren achtereen hebben vooral de dagbladen uit de randstad in januari of februari de schattige foto’s geplaatst van de eerste lammetjes in de wei. Daarin lag dan (echte) sneeuw en zag men, doorgaans tussen de eerste sneeuwklokjes, de lammetjes dansen. Voorboden van de Lente en leuk nieuws voor de stedeling, die zelden vóór maart lammeren in het weiland ziet. Die stedeling had niet door wat een bevriend schapenboer al lang wist: als je in augustus (zeer voortijdig) jonge ooien uit de wei haalt en die ophokt met een oude ram, is de kans groot dat er in januari in de stal lammetje worden geboren.
Zodra er dan sneeuw was gevallen haalde Van Mourik een bak sneeuwklokjes bij het tuinbedrijf en toog hij derwaarts. Bij de boer werden de sneeuwklokjes gepoot en de lammetjes naar buiten gehaald. Die leuke beestjes begonnen dan spontaan te dansen en te springen. Soms moest er ook een dochter van de boer of een moederschaap bij voor de lens. Want Van Mourik had veel diversiteit nodig om een deel van zijn filmpjes te kunnen bewaren voor het volgend jaar als de lezers opnieuw zouden uitkijken naar de charmante eerste lenteboden. “Wat mot een errem mins toch veul doen om an de kost te kommen” verzuchtte hij soms.
 

Comments
Loading...