Oude Bekenden 26: Hannemieke Stamperius/Hannes Meinkema

Er stond één aflevering van de rubriek heel kort op de voorpagina: het verhaal van schrijfster Hannes Meinkema, die in de oorlog aan de Waterstraat 19 zou zijn geboren. Meinkema heet Hannemieke Stamperius, en reageerde als door een wesp gestoken: waarom doet u dit, de gegevens zijn niet eens juist, en wat u over mij zegt is echt soms kwetsend? Waarop ik snel mijn verontschuldigingen aanbood en het rubriekje verving door een andere tekst. Een lange uitwisseling van mails volgde, afgelopen najaar. Stamperius bood vervolgens aan zélf een bijdrage te schrijven. Die volgt hieronder, de Tielenaar is er best trots op.

Voor de Tielenaar

Hannemieke Stamperius (foto Maartje Geels)

Als kind had ik altijd een speciaal gevoel van trots als we Betuwejam kregen met Flipje het Fruitbaasje op het etiket, want ik was in Tiel geboren en de andere kinderen niet. Een paar jaar geleden kwam ik De avonturen van Flipje deel 4 (ontwerp E.M. ten Harmsen van der Beek; uitgave Koninklijke Mij ‘De Betuwe’ BV – Tiel) tegen in een bak niet meer uit te lenen boeken van een bibliotheek, en ook al ademen ze stevig de expliciet moralistische sfeer van de jaren vijftig, toch zijn de rijmpjes vaak onverwacht grappig en knap gevonden. Als ik aan het fruitbaasje denk, bedoel ik daar allerminst zijn standbeeld mee, met het volstrekt verkeerde totaal niet speelse gezichtje. Zo jammer!

Ik ben in 1943 geboren in Tiel, omdat mijn moeder moest onderduiken en Tiel ons een veilige plaats bood bij de familie Van den Berg (adres helaas onbekend). Zij maakte deel uit van één van de vier verzetsgroepen die zich met het lot van Joodse kinderen bezighielden, en ze heeft vóór ze moest onderduiken wegens verraad, veel kinderen naar onderduikadressen gebracht (zie hierover de dissertatie van Bert Jan Flim Omdat hun hart sprak; geschiedenis van de georganiseerde hulp aan Joodse kinderen in Nederland, 1942-1945, Kampen 1996, en vooral p. 89, 190, 364 en 470). Jaco Stamperius werkte voor het Utrechtse Kindercomité, waar later de aanvankelijk illegale uitgeverij De Bezige Bij uit voortkwam. Toen ze, zwanger, naar Tiel kwam, was ze verloofd met mijn natuurlijke vader, Jelle de Jong, maar trouwen betekende naar het stadhuis gaan en dat was natuurlijk te gevaarlijk – vandaar dat ik als, zoals men het toen nog noemde, als bastaard in het ziekenhuis van Tiel geboren ben. Mijn vader wilde me niet erkennen omdat hij na de oorlog de diplomatieke dienst in wilde, en toentertijd kon dat niet als je kind ouder was dan de huwelijksdatum. Medeleden van de groep kwamen naar Tiel, keken in de wieg en zeiden: ‘precies Jelle!’, en zetten hem vanwege zijn gebrek aan verantwoordelijkheid uit de groep, waarna hij lid van een knokploeg werd.

De Waterstraat ter hoogte van nummer 19, ook al niet meer bestaand.

Mijn moeder moest me natuurlijk aangeven, en koos daarvoor als adres een huis in de Waterstraat, waar ze uiteraard niet woonde, en waar men, hoogstwaarschijnlijk, nooit van haar had gehoord. Ik heb de familie Van den Berg, of liever, zoals ik ze noemde, opa Van den Berg en tante Neeltje, daarentegen goed gekend, omdat mijn oudtante, bij wie ik elke vakantie logeerde, ze later in huis nam. Opa Van den Berg was ooit van een ladder gevallen en had zijn nek gebroken, maar omdat er niets verschoven was kon hij toen de breuk genezen was gewoon verder leven: ik vond dat, als kind, een spannend verhaal. Ook spannend was de hand van mijn oudtante, die de nacht voor haar executie uit Vught ontsnapte en daarbij een vinger in het prikkeldraad moest laten hangen.

Alles wat ik weet over mijn begin heb ik van mijn oudtante en van de Van den Bergs, vooral van de dochters die van mijn moeders generatie waren, want mijn moeder praatte nooit over de oorlog, en vragen die er betrekking op hadden werden afgestraft met een week lang negeren – dat ik pas veel en veel later als post-traumatische depressie begreep – , dus dat liet ik al gauw uit mijn hoofd. Na haar vroege dood in 1975 ben ik met een bandrecorder de hele verzetsgroep afgegaan, en bleef met sommigen in contact zo lang dat kon.

Het viel me op, dat de verzetsmensen die ouder waren toen de oorlog begon, die veel beter hadden verwerkt dan jonge studenten als mijn ouders. We realiseren ons eigenlijk nu pas, nu we weten dat het geweten pas ergens tussen het twintigste en dertigste jaar wordt gevormd, hoezeer oorlog vooral jonge mensen in hun morele ontwikkeling voor het leven beschadigt. Als je op je achttiende in extreme, vaak gewelddadige, moreel zwart-witte situaties terecht komt, is wezenlijk volwassen worden daarna bijna altijd te moeilijk. Bovendien was het in 1943 natuurlijk niet niks, om alleenstaande moeder te zijn. Mijn moeders moeder wilde aanvankelijk niets meer met haar te maken hebben, maar haar moeders zuster, bovengenoemde oudtante, nam ons na de oorlog in huis, zodat mijn moeder haar studie medicijnen kon vervolgen. Een paar jaar later, toen ik vier en een half was, kwam ze mijn stiefvader tegen, die uit zijn vorige huwelijk één van zijn kinderen meenam. Van de ene dag op de andere waren we zusjes, moesten dezelfde jurkjes dragen, en ik kreeg de achternaam van mijn stiefvader (die ik na mijn moeders dood weer heb afgelegd). Samen kregen ze nog twee kinderen.

Mijn positie in het gezin was moeilijk. Mijn moeder kwam de schande van het ongehuwde moederschap nooit te boven. Deze dingen, de schande en de oorlog, verbonden ons en scheidden ons tegelijk, en hebben in haar hele leven en dus ook in een groot deel van het mijne, doorgewerkt. Ik heb één boek over de problematiek van de tweede generatie geschreven, Te kwader min (Contact,1984), onder het pseudoniem Hannes Meinkema dat ik reserveerde voor de fictie die ik schreef, en waar ik vrijwel mijn hele leven van kon bestaan. Essays en wetenschap, vind ik, reflecteren je eigen mening en moeten dus ook onder je eigen naam verschijnen (voor wie meer wil weten: zie mijn site, Stamperius.com).

Ook in de periode dat ze in Tiel woonde, bleef mijn moeder verzetswerk doen. Ze hielp mensen in bootjes over de Waal ontsnappen naar het vrije Zuiden, en ging dan ‘thuis’ naar de zolder om te luisteren of ze schoten hoorde: dan was de missie mislukt. Ze was amper twintig. Ik kan me bijna niet voorstellen hoe dat gevoeld moet hebben, te denken dat door jouw tekortschieten anderen hun leven verloren, want zo dacht ze. Ik hield zoveel van haar. Vanaf mijn vroegste herinnering wilde ik haar beschermen, en ik zag, achter haar vaak moeilijke gedrag, de vrouw schemeren die ze had kunnen worden in andere omstandigheden. Ik lijk op haar, en fantaseer soms dat ze even terugkomt uit de dood en dat ik haar dan in mijn armen neem en zeg, dat alles goed komt. Zolang ze leefde vond ze geen rust en transformeerde haar pijn in onverwachte woedeuitbarstingen. Ach, er is zoveel dat ik pas kon beginnen te begrijpen toen ik zelf een dochter had. En nu nog, nu ik al twintig jaar ouder ben dan zij ooit geworden is, begrijp ik haar steeds een beetje beter. Voor een deel heeft mijn verlangen zelf moeder te worden, met haar moederschap te maken: juist omdat dat haar zo moeilijk viel, wilde ik, door zelf moeder te worden, daaraan iets goed maken. Ik zal nooit vergeten hoe, in de periode dat mijn babydochter veel koliek had en me daarmee bijna een jaarlang dag en nacht bezig hield, ik toen dacht: ik vind dit zo moeilijk terwijl ik er zo hevig naar heb verlangd moeder te zijn – maar stel dat je je baby niet wilt terwijl ze door zoveel te huilen toch je hele leven beheerst, dan is het moederschap een hel. Ik huilde ook veel, als baby, door de HME-MO, een soort botkanker die ‘goedaardig’ is (wat betekent dat je er niet aan dood gaat), maar zeer pijnlijk.

Ik heb trouwens als baby in Tiel ook nog verzetswerk gedaan: mijn moeder reed met mij in een kinderwagen, met zover mogelijk gestrekte armen, langs de frontlinie, door het gebied tussen het bezette Noorden en het vrije Zuiden, waar de Duitsers bermbommen hadden begraven, om de patrouillerende soldaten, die een baby niet wilden laten ontploffen, te doen verraden waar ze lagen, en die informatie gaf ze dan door.

Een jaar later werd de Betuwe gebombardeerd. Toen de bommen op Tiel vielen, kon mijn moeder met de Van den Bergs schuilen in het ketelhuis van de jamfabriek. Tot de dag van vandaag ben ik bang voor straaljagers omdat mijn onderbewuste bij het horen van dat scherpe, plotselinge geluid teruggaat naar dat bombardement, waar de fabriek aan ten onder ging maar het ketelhuis hield stand. Daarna werd Tiel geëvacueerd, en trokken wij naar het Noorden.

Je leest wel eens, dat pijn de bron is van het kunstenaarschap. Ik vind dat eigenlijk een beetje romantische onzin, maar ik kan niet ontkennen dat mijn moeilijke jeugd mijn schrijverschap mede heeft gevormd. Dat mijn personages vrijwel altijd vrouwen zijn, heeft echter meer met mijn feminisme dan mjn dochterschap te maken. In de jaren ’70 bestond er in Nederland vrijwel geen literatuur waarin vrouwen de hoofdrol speelden. De rijkdom in die lacune inspireerde me, en ik ben dan ook nog steeds blij dat het Fonds van de Letteren me een eregeld heeft toegekend omdat ik de weg heb gebaand voor generaties schrijfsters na mij, door te schrijven over de onderwerpen die, nog steeds, het leven van vrouwen anders maken dan dat van mannen.

Van mijn moeder (en van de HME) heb ik, indirect en niet zonder enige moeite, geleerd dat alleen geaccepteerde pijn je dichter bij de pijn van anderen brengt, hetgeen (o.a.) voor een schrijver een voordeel is. Omdat ik als kind continu bang was, leerde ik goed naar mensen te kijken, en omdat ik niet geboren had moeten worden, is er een kracht in mij die de wereld wil herscheppen op papier, en daarnaast, zeker sinds de laatste tien jaar, schilderijen wil maken die zowel pijn als evenwicht laten zien, en heel veel kleur. Eén van de paar romans waar ik nog steeds tevreden over ben, gaat over een meisje met een koppige overlevingskracht: Dora, een geschiedenis. In mijn boeken ga ik diep de psyche van mijn personages in: zo diep dat veel lezers denken dat ik autobiografisch schrijf – wat niet het geval is. De hoofdpersooon uit En dan is er koffie is geïnspireerd door een vriendin, en Dora lijkt op mijn dochter zoals ik me haar als jonge vrouw fantaseerde, terwijl ze toen ik het boek schreef nog een kleuter was. Omdat ik geboren ben uit iemand die levenslang gewetensproblemen had, zijn morele thema’s en conflicten mijn materiaal geworden – en sta ik, helaas, dwars op de tijdgeest. Ik kan niet zo goed omgaan met oppervlakkigheid en vrijblijvendheid, en verkies een gesprek onder vier ogen boven gezelligheid en sociale media. Ik ben beter in vriendschap dan in liefdesrelaties. Ik ben graag alleen, lekker veilig. Ik kies vreugde boven plezier. Er is een tijd geweest, dat ik mijn werk liet eindigen met een happy end.

Tiel, bedankt!

Hannemieke Stamperius

stamperius.com

Comments
Loading...