De Hondenslaghtster

Door Huub van Heiningen op dinsdag 16 februari 2016, geplaatst in Kunst & cultuur, Historie. De hondenslager die in de Grote Kerk van Delft zijn taak versloft.De hondenslager die in de Grote Kerk van Delft zijn taak versloft.

Op 18 februari 1691 overleed Beliken Claessen in haar ambtswoning aan de Achterweg. De stadsbevolking had haar decennialang gekend als “Beel de hondenslaghtster” en ze had dat eerzame beroep tot zoveel tevredenheid uitgeoefend dat het stadsbestuur haar dochter Maria Claessen als haar opvolgster benoemde. Die had immers aan moeders hand het vak geleerd en al blijk gegeven van haar bekwaamheden.

Beliken is een van die figuren die neuzend in de stadsarchieven boven komen drijven en waarvan we dan graag wat meer te weten zouden willen komen. Maar de informatie is helaas schaars. Ze komt voor in de kohieren, zodat we weten dat ze drie soldaten ingekwartierd kreeg toen de Fransen in 1672 Tiel bezette en dat ze meebetaalde in de brandschatting door de bezetters. We weten ook dat haar huisje aan het Sint Maartenskerkhof een huis van de stad was, gebouwd op grond van de kerk. Toen dat in 1700 werd opgeknapt heette het nog “t huys waer de hondenslagerse inde woont” en dat duidt er wellicht op, dat Maria in het huwelijksbootje was gestapt en/of meer slaapruimte nodig had voor de kinders.

We weten ook dat ze twee bazen had – de koster van de Sint Maartenskerk en het stadsbestuur – en heel globaal wat haar taken waren. Want er draaft wel vaker een hondenslager (of slaghter) op in de Tielse stedelijke archivalia. Minstens zo interessant is, dat de hondenslager opereerde in veel andere oude steden, die over zijn doen en laten meer informatie achterlieten.

Loslopende honden zorgden vanouds voor overlast. Ze konden aan rabiës lijden, zodat hun beet ook voor mensen dodelijk was en werden in bepaalde perioden van de geschiedenis verdacht de pest te kunnen bestrijden. Veel stadsbesturen namen daarom een hondenslager in dienst, die loslopende honden moest doodslaan. Die hondenslager – het was in andere steden voor zover we informatie onder ogen kregen altijd een man – werd daarvoor uitgerust met een knots met ijzeren pennen. Zo’n knots heette ook wel kodde en daaraan danken we het woord koddebeier – de met een knots uitgeruste bewaker. Er is (aldus http//amsterdamsverleden.nl/hondenslager) maar één afbeelding van een kodde bekend. Die is te vinden op een munt uit 1581, gemaakt door Gerard van Bijlaer, die een allegorie verbeeldt op de afzwering van Philips II door de Hollandse Staten. De munt wordt bewaard in het Rijksmuseum.

Er moest uiteraard onderscheid gemaakt worden tussen de zwerfhond en het gezelschapsdier, de hond van de schaapsherder en de bewaker van het boerenerf. De beide laatste categoriën bleven in  de stedelijke wetgeving doorgaans buiten schot; het ging erom in hoeverre de gezelschapshond moest worden toegelaten in het publiek domein. Soms ging de magistraat er vanuit dat honden naarmate van hun grootte gevaarlijker waren en mochten alleen kleine hondjes onder controle van de eigenaar op straat komen. De hondenslager had had daarvoor een beugel die hij op straat plaatste om de honden te meten. De dieren die onder de beugel door konden, werden (doorgaans met een penning om de hals) toegelaten – de anderen “konden niet door de beugel”.

Toen Kerk en Staat nog niet gescheiden waren, had de stedelijke hondenslager, steevast ook de taak honden te weren uit de altijd open staande kerken. Loslopende honden zochten immers maar wat graag de koelte of de warmte van het kerkgebouw op en menig gezelschapshond poogde al dan niet met diens (of haar) toestemming zijn baasje te vergezellen naar de kerkdienst. En dan kon het gebeuren dat de voorganger die zich met stemverheffing tot zijn auditorium richtte, gestoord werd door hondengeblaf. Ook uit hygiënisch oogpunt werden honden uit de kerk geweerd. De hondenslager woonde daarom kort bij de kerk. Dat sloot geenszins uit, dat hij wel eens een slechte naam had en bijvoorbeeld in de kerk zijn roes uitsliep en honden hun gang liet gaan.

Diverse grote Nederlandse schilders van kerkinterieurs legden dan op het doek hun ergernis vast om aanwezigheid van honden in de kerk. Het aardigst is dat te zien op een schilderij van Emanuel de Witte in de Oude Kerk van Delft (te vinden via Wiki-Delft). De hondenslager doet samen met een maat een dutje tegen een pilaar terwijl een hond plast tegen een andere zuil. Ook de bekende kerkenschilder Pieter Saenredam laat soms een hond in de kerk zien.

Omdat er in de kerk geen bloed mocht vloeien hanteerde de hondenslager daar een meestal een bezem. In de oude kerk van Nieuw Scheemda hangt nog altijd een speciale zweep, die gemaakt was en gebruikt werd om honden uit de kerk te slaan.

Terug naar Tiel, waar in 1609 honden die “quaede sinnen gehadt of rasendich gewest zijn” mensen hadden gebeten. Daarom bepaalde het stadsbestuur bij placaat, dat iedereen die gebeten werd of dreigde gebeten te worden “deselve hondt sal doen doodtslaen ende van cant brengen”. Pas enige  decennia later blijkt er een door de diaconie en het stadsbestuur betaalde hondenslager te zijn en het lijkt erop dat Belia dit beroep het langst heeft uitgeoefend. In 1771 maande het stadsbestuur koster Marcus Francken dat hij de hondenslager meer achter de vodden moest zitten omdat de kerk smerig was. De hondenslager was toen ook “kerkdienaer” en kennelijk wilde de magistraat de bestrijding van hondenoverlast in de stad al niet meer aan hem overlaten. Want al in 1788 kregen de stadsdienders speciale stokken om loslopende honden te knuppelen en toen in diezelfde eeuw de jachtvergunning werd ingevoerd, werd ook in Tiel wel bepaald dat een jager op “ongeheerde” honden mocht schieten.

Men bleef vinden dat er teveel honden in de stad rondliepen en daarom kwam het stadsbestuur in 1792 met een zeer specifieke maatregel: het werd iedereen die van de diaconie of van welke andere instantie ook “bedeeld” werd, verboden een hond te hebben. Daar kwam ook weldra de nog altijd voor veel discussie zorgende “hondenbelasting” bij.  Al in oktober 1795 bepaalden de toen aan de macht gekomen Patriotten, dat voor elke hond jaarlijks 1,10 gulden aan belasting moest worden betaald.

Het weleer voor de “hondenslaghster” bestemde huisje kwam in die tijd in private handen, maar dat had nogal wat voeten in aarde omdat het gebouwtje van de gemeente was en het kerkbestuur claimde eigenaar van de ondergrond te zijn. Bij de eerste kadastrale opmetingen had het huisje een vloeroppervlakte van slechts 38 m2. In 1884 toen de strijd erom tussen “kerk en staat” juridisch was beslist, werd het vergroot tot 49 m2 en in 1890 werd die bebouwde oppervlakte vergroot tot 83 m2. Een gevelsteen herinnert aan die vernieuwing en uitbreiding. De huidige gebruikers hebben dus de beschikking over 2,5 maal de ruimte die eeuwen geleden de hondenslager gebruiken kon. En toch is het maar een klein (maar karakteristiek) huisje.

De hondenslager met zijn "kodde" op een penning uit 1581De hondenslager met zijn “kodde” op een penning uit 1581Pieter Saenredam liet vaak een hond zien in zijn kerkinterieurs i.c. dat van de Utrechtse Buurkerk.Pieter Saenredam liet vaak een hond zien in zijn kerkinterieurs i.c. dat van de Utrechtse Buurkerk.

Comments
Loading...