DIALECT … Verbij ’t Jödestötje

Door Huub van Heiningen op donderdag 17 december 2015, geplaatst in Kunst & cultuur, Historie.

Er is vaak vergeefs gezocht naar de identiteit van de man of vrouw, die ruim anderhalve eeuw geleden onder het pseudoniem S. verhaaltjes schreef in “de Tielsche tongval”. Het lijkt de rechter en wethouder mr. Steven Rink (1813-1894) te zijn geweest. Die mag dan gelden als eerste – en waarschijnlijk ook enige wetenschapper, die serieus getracht heeft het Tielse dialect vast te leggen.

Het is op het eerste gezicht een vreemde situatie, dat er geen Tielse dialectwoordenboek bestaat. In de bekende woordenboeken over dialecten op vooral op de dialectsites (http://www.mijnwoordenboek.nl/dialecten/index.php?provincie=gelderland) kan men vele Gelderse streken, steden en dorpen vinden met een eigen dialectwoordenboek. De sites en publicaties van de historische verenigingen duiken er vaker nog dieper in met eigen woordenlijsten.

Enige relativering is daarbij op zijn plaats. Het is duidelijk dat dialecten elkaar overlappen; in de woordenlijsten staan dan ook veel uitdrukkingen die ten onrechte als specifiek voor een bepaalde plaats worden aangeduid. Anderzijds kan men in sommige families uitdrukkingen vinden, die van geslacht op geslacht zijn overgeleverd, maar toch geen dialect werden.

Er zijn bijvoorbeeld verschillende Culemborgse dialectlijsten. Th. Ausems maakte een studie van het Kuilenburgs en concludeerde dat er ten noorden van de Binnenpoort een ander dialect wordt gesproken dan te zuiden ervan. Maar kort na de Tweede Wereldoorlog kon men in de autochtone families in de oude Triowijk een vrouw horen zeggen dat ze “geen goesting had errepel te koke” en nou “geil” was – ze had geen zin gehad aardappelen te koken en had nu honger. Ze bleken daar een aantal woorden te gebruiken uit het dialect van het Vlaamse Mechelen en de omgeving daarvan. Dit moet erop wijzen dat de jonkvrouwen en edelen die zich eeuwenlang heer of vrouwe van Culemborg mochten noemen en uit die Vlaamse contreien kwamen, personeelsleden meebrachten, die deze uitdrukkingen aan hun erfgenamen doorgaven.

Tiel werd in de late middeleeuwen bestuurd door leden van de Gelderse landadel en ook in de eeuwen die daarop volgden bleef de stad een typisch streekcentrum waar de bewoners uit alle dorpen van het RIvierengebied naar toe kwamen om hun waren te slijten op de markten en inkopen te doen. Daar komt bij dat Tiel vóór 1339 lang een Brabantse stad was. Wie zich zou willen toeleggen op het samenstellen van een Tiels dialectwoordenboek zal er dus rekening mee moeten houden dat “de Tielsche tongval” wel eens een smeltkroes zou kunnen blijken te zijn van wat in een wijde omgeving gesproken werd.

Uit de teksten van de geheimzinnige S. blijkt dat het ging om iemand die in Tiel woonde en minimaal het gymnasium had gevolgd. Door de leerlingenlijsten van het gymnasium en het bevolkingsregister door te spitten kon (met redelijke zekerheid) Rink getraceerd worden. Steven of Stephanus Rink heeft zijn hele leven in Tiel gewoond. Hij promoveerde in 1838 in Utrecht, vestigde zich in zijn geboortestad als advocaat en werd rechter. Toen in 1851 onder de nieuwe gemeentewet van Thorbecke de raad op een democratischer wijze gevormd kon worden, werd Steven Rink gekozen in de gemeenteraad. Vanaf 1874 tot 1879 was Rink wethouder van Tiel.

Steven Rink trouwde in 1843 met de predikantsdochter Gabriëlle Jacomina van der Willigen, die in februari 1853 op 38-jarige leeftijd overleed in het kraambed van haar zevende kind. Zijn tweede zoon was de nationaal bekende staatsman Pieter Rink (1851-1941), fractieleider van de Vrijheidsbond waarin de progressieve liberalen zich hadden verenigd en in het begin van de 19e eeuw minister van binnenlandse zaken. Diens biograaf schetst hem als een amabele man, die nooit iemand zou beledigen, in alle omstandigheden het hoofd koel hield, veel aandacht besteedde aan zijn uiterlijk en altijd zeer zorgvuldig gekleed ging. “Het klassieke beeld van de gentleman, dat hij van huis uit meegekregen had”.

Ook vader Steven voldeed aan die criteria en zocht, op bezoek aan een familielid in Londen, de bekende fotograaf  C.T. Newcombe op om zich op de gevoelige plaat te laten vastleggen. Van Newcombe, die menige beroemheid in zijn atelier kreeg, zijn veel foto’s bewaard gebleven en uit een vergelijking met de entourage daarop kan worden geconcludeerd dat de foto van Steven Rink in of rond 1864 gemaakt is. De foto is te vinden in het familie-archief van de Rinks, waarin ook materiaal van Steven Rink zit, waaruit blijkt dat hij zich al op jonge leeftijd bezighield met taal en poëzie.

Rink schreef in 1841, 1855 en 1861 een verhaaltje voor de Geldersche Volksalmanak, dat hij telkenmale als ondertitel “Proeve van Tielsch dialect” meegaf. Door de zinsopbouw, verhaaltrant en milde toon, onderscheiden deze stukjes zich in positieve zin van menig ander artikel uit die jaren.  Ze zijn te situeren in de Weerstraat, meer speciaal in het tweede deel daarvan (voorbij het Jodenstraatje) en het lijkt erop dat de auteur de beelden uit zijn kinderjaren vastlegt. Rink woonde in zijn jeugd en jonge jaren in het grote statige herenhuis Kleibergsestraat no 8 (dat in de oorlog verwoest is); juist om de hoek dus en ook nog via een steegje verbonden met de Weerstraat.

Het eerste verhaal speelt zich af in een kruidenierswinkel, waarin we zo maar de winkel van Johannes Lancee – thans no 24 zouden kunnen herkennen. Maar ook aan de andere kant wat verderop de straat in zaten in die jaren nog twee kruidenierswinkeltjes. In zijn tweede alleraardigste verhaal gaat het over de schijn die bedriegt. De slager gaat met een prachtige zware koe door de stad om te pochen op de kwaliteit rundvlees die bij hem gekocht kan worden voor de Kerstdis, maar er blijkt een kalf in te zitten. Volgens de aloude gewoonte wordt de jongste bediende voorts van hot naar har gestuurd om een niet bestaand, zo ridicuul mogelijk voorwerp te lenen – hier het patroon van de rolpens. Het had erger gekund.

In het derde verhaal gaat het over namen en voert hij de apotheker/chirurgijn, de orologiemaker, de zilversmid en de bakker in, soms aangeduid met initialen. Daarin moeten we mogelijk Jan van Baren, Zeger Dirk de Jongh, Jan Hendrik Deerns en Cornelis Boers herkennen – die daar in RInks jonge jaren in de Weerstraat woonden. Tielser kan het bijna niet

Comments
Loading...