Werfkelders

Grotendeels verborgen achter de beplanting zitten er in de stadsmuur onderlangs de Oliemolenwal diverse dichtgemetselde poorten. De vraag is of het restanten zijn van “werfkelders”, die gerestaureerd zouden kunnen worden om te dienen als toeristische trekpleister, zoals dat gebeurt in Utrecht, Maastricht, Leiden en Leeuwarden.

Geen andere stad in Europa heeft zoveel werfkelders als Utrecht. De Domstad gaat er prat op er niet minder dan 723 te hebben. Nergens waren de omstandigheden voor de aanleg van dergelijke kelders zo gunstig. Zo’n kelder was immers een opening  in de stadsmuur aan de binnenkant van een gracht en in een dergelijke muur konden alleen maar gaten gemaakt worden als die als verdedigingsgordel minder belangrijk was geworden. In de loop van de eeuwen is Utrecht herhaaldelijk “uitgelegd” – dwz dat de “binnenstad” groter werd gemaakt door aanleg van een nieuwe gracht.  Op de Oude Gracht volgde de Nieuwe Gracht en ook in andere delen van de stad volgden de grachten elkaar op. De Utrechtse grachten waren daarenboven verbonden met de Vecht en de Oude Rijn, waardoor de stad gemakkelijk een handelscentrum voor de binnenvaart kon worden. Kenmerkend voor een werfkelder zijn dat ze doorlopen onder een openbare weg  – de weg op de oude weergang – en dat ze vaak uitmondden in een pakhuis.

  de grootste werfkelders van ons land zijn te vinden in Maastricht

Nadat in de tweede helft van de 15e eeuw de Voorstad erbij was gevoegd is de Tielse binnenstad niet meer uitgelegd. Tot in het tweede kwart van de 19e eeuw kwamen er dan ook geen veranderingen meer in de verdedigingsgordel rond de oude vestingstad, waardoor de aanleg van flinke werfkelders mogelijk zou zijn geworden. De mogelijkheid om de stad te kunnen verdigingen tegen vijandelijke aanvallen eiste immers dat die verdedigingsgordel gesloten bleef. Dat had het befaamde beleg van 1528 wel geleerd.

De Patriotten dachten daar genuanceerder over. Evenals in 1672 was immers bij de tweede franse invasie die hen in 1795 aan de macht hielp, gebleken, dat het nut van de Tielse verdedigingsgordel zeer beperkt was geworden. Gehecht als ze waren aan de tradities van burgerverdediging peinsden de Patriotten er echter niet over de Tielse verdedigingsgordel te slopen. Maar er zou best ergens een gat in gemaakt kunnen worden als daarmee een economisch belang gediend werd. Gezien het elitaire karakter van de Bataafse Revolutie in Tiel kan de vraag gesteld worden of met het toestaan om de stadswal en muur te ondergraven niet veeleer belangen van leden van de nieuwe aristocratie dan het algemeen belang een hoofdrol speelden.

Het waren invloedrijke en vermogende ondernemers die toestemming kregen in de wal en stadsmuur een opening te maken, die men rechtstreeks ontleend aan de franse taal “sorties” noemde. Dat was op de eerste plaats Rombout van Riemsdijk, die ook lid was van de magistraat en een grote leerlooierij had aan wat nu de Konijnenwal is. Ook Marsman en Van Dorp hadden daar of eigen looierijen of participeerden in het bedrijf van Van Riemsdijk. Zij en hun in de stad wonende familieleden moesten nogal een omweg maken om via de Zandwijkse of de Burense poort hun looierijen te bereiken. Een sortie kon de weg naar en van hun bedrijven aanmerkelijk verkorten.

Bij de Van Oosterhoudts – garentwijnders, touwslagers, verffabrikanten en kunstschilders – ging het simpelweg om de ruimte. Zij maakten in het hoogste deel van de omwalling sorties om daarachter via verdere uitgraving werkplaatsen en een atelier te kunnen maken.

De vier oude stadspoorten hadden in die jaren echter nog een functie. Ze gingen op bepaalde uren dicht en dan kwam niemand meer uit of in de stad zonder zich te legitimiseren en ervoor te betalen. Ze moesten bedelaars weren en er werd accijns geheven op allerlei goederen die de stad werden binnengebracht. Een sortie mocht dus geen smokkelaarspad worden of een sluiproute voor degenen die zich buiten de stad wilden bezatten. Niet voor niets heette het Groenlandslaantje toen Dronkemanslaantje.

In het voorjaar van 1797 kreeg Daniel van Oosterhoudt, bewoner van het grote huis “Hof van Arkel” aan de Oliemolenwal (nu achter Zeeman), toestemming een poort te maken in de stadsmuur en de wal onder zijn huis uit te graven zodat daar een kelder zou ontstaan. Hij wilde daarin bij nader inzien ook enig daglicht hebben zodat de raad hem op 7 september toestond in de stadsmuur een raam te maken met de nodige spijlen erin. Dat raam is in 1802 vervangen door een tweede sortie. De kelder, waarin de Van Oosterhoudts een werkplaats en atelier hadden, is jarenlang in gebruik gebleven. In de jaren vijftig van de vorige eeuw was het “de kelder van Van de Zandt”, waarin wel eens feestjes werden georganiseerd. Er staan nu appartementen op deze locatie. Voorafgaande aan de bouw hiervan is er archeologisch onderzoek gedaan dat erop gericht was niets te vinden wat interessant zou zijn. Geen spoor van de oude kelder dus. Die heeft moeten wijken voor een fundering en het zou dus geen enkele zin hebben de poortjes van Van Oosterhoudt te openen.

In 1985 is gepoogd brand te stichten achter de dichtgemetselde toegang in de walmuur aan het Oliemolenpad.

 

 

 

 

 

Terwijl Van Oosterhoudt groef verdiepte een commissie uit de raad zich op een verzoek van Rombout van Riemsdijk, eigenaar van een groot huis dat grensde aan de Kerkstraat en de wal. Die wilde vanuit zijn woning een gang graven door de wal naar een in de stadsmuuur te maken poort. Zo kon hij bij de gracht komen, die hij kon oversteken met “een schuytje ofte aak”. Aldus kreeg hij dan een korte verbinding met zijn looierij.

De commissie formuleerde acht voorwaarden, waaraan de aanvrager zou moeten voldoen. Acht eisen die in precies dezelfde bewoordingen werden gesteld aan volgende aanvragers. Ze luidden dat een vergunninghouder

“1e zal verplicht zijn dien doorgang met een goed sterk wulf (gewelf) te doen beleggen.

2e zal moeten zorgen dat bij avond, nagt, of ontijden dien doorgang, met een deur en goed slot geslooten word.

3e dat alle reparatien, welke nu ofte naderhand deswegens mogten ontstaan, blijven ter zijn rekening.

4e dat daarvan geene algemeene  ofte ordinaire (gewone) ingang gemaakt word: dog dat dezelve alleen zal dienen tot gerief voor de zijne en der zijnen medgezellen.

5e dat de raad, zoodra bevonden wierd, dat door dezen ingang misbruik gemaakt ofte niet overeenkomstig deze articulen gehandelt wierd, aan zig reserveert de magt en aucthoriteit om aldsdan de wettigen possesseur van dat huys en erve tot demping en remotie van dezelve te kunnen gelasten zonder eenige kosten desweegens gemaakt of te maken te behoeven te restitueeren.

6e dat hij requestrant in cas van brand verpligt zal zijn, dien doorgang beneevens zijne eygene gang van de Waterstraat naast zijn huis  lopende alsdan open te doen ten einde des nuttig bevonden wordende daardoor de slang van de brandspuyt te kunnen leggen; zullende egter, bij aldien hierdoor eenige schadens kwam te lijden dezelve alsdan door deeze stad hem worde vergoed.

7e hij zal zorgen dat de schuit of aak waarmede de passage over de stadsgracht zal moeten geschieden, altijd bij nagt aan des stadszijde met een goed slot gesloten moet zijn.

8e Eindelijk, reserveert de raad aan zig om des goedvindende dien doorgang te kunnen dempen en finaal te removeren zodanig als of dezelve nooit hadde gesubsisteerd mits egter alsdan aan de requestrant often den wettigen possesseur van dat huijs restitueerende de deswegens geïmpendeerde kosten.”

Op deze voorwaarden werd de eerste “werfkelder” aangelegd, die weldra aan de zuidzijde een pendant kreeg voor J.D. van Dorp. Deze alleen vanaf de Oliemolenwal bereikbare kelders zijn lang in gebruik gebleven als smederij, kaarsenmakerij, tabakswinkel ed. Maar ze zijn kort na de oorlog beiden weggesloopt voor de bouw van een pand van V&D. Het heeft dus ook geen zin daar naar te gaan zoeken.

Nog in hetzelfde jaar 1798 kreeg ook Johannes Marsman, bewoner van de Waterstraat, toestemming om onder de genoemde voorwaarden, een sortie te maken en die kelder is, voorzover kon worden nagegaan, intact gebleven. De sortie achter het pand Waterstraat 82 en op het kadaster aangeduid als E 2605, moet te openen zijn. Na eerder decennialang als winkel te hebben gefungeerd, diende de kelder na de oorlog als bergplaats van het loodgietersbedrijf Gennissen. De sortie is om veiligheidsredenen ongeveer een halve eeuw geleden dichtgemetseld.

Terug naar 1798 toen Rombout van Riemsdijk toestemming kreeg om zijn oversteekschuitje te vervangen door een brug. Er werd op 28 maart van dat jaar door de raad opnieuw een commissie ingesteld die moest beoordelen onder welke voorwaarden aanvrager toestemming kon worden gegeven om “tot meerder gerief zijner leertouwerij fabricq aan de overzijde van de gragt” een brug over de gracht te leggen. Die brug zou 8 voeten breed moeten worden en zo hoog dienen te worden gelegd dat er “behoorlijk met een aak onder door gevaren kon worden’’.  Op de brug zou een “sterk genageld hek” moeten komen, degelijk af te sluiten en aan beide zijden voorzien van “genagelde vleugels” zodat niemand zonder sleutels op de brug zou kunnen komen. Dit werd de van vele ansichten bekende “witte brug”.

Dat het bij het maken en gebruiken niet alleen om de economie maar ook om het aangenaam verpozen aan de stadsgracht ging, blijkt uit het feit dat mevrouw Brinkman-Pitlo – gehuwd met een neef van Rombout – op 7 juni 1798 toestemming kreeg enige palen te heien in de stadsgracht om “daarop een fraaie koepel te plaatsen”. Uit deze koepel in de stadsgracht is door enkele uitbreiding het nog altijd bestaande fraaie boven de stadsgracht gelegen woonhuis ontstaan. Ook voor het verpozen op deze locatie werd enkele decennia later een brug over de gracht gelegd.

De (vooralsnog) enige overgebleven sortie is eigendom van de bezitter van het pand Waterstraat 82. Want op 18 juni 1879 besloot de gemeenteraad de nog in de stadsmuur aanwezige sorties in eigendom over te dragen aan de aanpalende eigenaren/gebruikers. De stadsmuur is overigens een rijksmonument.

Of een nog in de Tielse stadswal aanwezige sortie achter Waterstraat 82 (en mogelijk nog te ontdekken sorties) “werfkelder” genoemd mogen worden is arbitrair. Er was destijds nog een open verbinding met de Dode Linge, die weer bevaarbaar uitmondde op de echte Linge en er is dus ongetwijfeld ook door platte aken aangelegd voor de Tielse sorties. Een “werfkeldertje” misschien ?

Comments
Loading...