Koude Oorlog

Door Huub van Heiningen op dinsdag 21 juli 2015, geplaatst in Politiek. Ria Beckers met haar echtgenoot in hun boomgaardRia Beckers met haar echtgenoot in hun boomgaard

Vanaf 7 december 1990 was het dagelijks nieuws in de nationale pers en ook ver over de landsgrenzen. De Vlaamse onderzoeks-journalist Hugo Gijsels had een boek gepubliceerd over een een geheime en zwaar bewapende internationale organisatie Gladio. Die zou tijdens de Koude Oorlog op Amerikaanse instigatie zijn opgericht om bij een Russische bezetting van West-Europa, het verzet te organiseren. Maar de leden van dat Gladio hadden geen bezetter afgewacht. Op aanstoken van de Navo, zouden ze in diverse landen een oorlogje zijn begonnen tegen het communisme en alles wat links heette te zijn. Daarbij waren doden gevallen en de suggestie werd gewekt dat uit Gladio ook de beruchte Bende van Nijvel was ontstaan. De organisatie waarover in Italië al jarenlang zeer kwaadaardige geruchten circuleerden, zou volgens Gijsels ook een zeer geheime Nederlandse afdeling hebben, die door premier Ruud Lubbers de hand boven het hoofd gehouden werd.

De eerste

Fractieleider Ria Beckers van GroenLinks was de eerste die Lubbers over dat Gladio een lange reeks schriftelijke vragen stelde en daar maakte de premier zich – in haar ogen – met een Jantje van Leiden mee af.

Maar het hek was van de dam. Er verschenen tal van krantenartikelen waarin onder andere werd verondersteld, dat geheime wapendepots die in voorbije jaren waren ontdekt van “Gladio” moesten zijn geweest, dat de groep van Willem Holleeder op deze manier aan wapens was gekomen, dat “Gladio” een moordaanslag op prinses Irene had beraamd etc. etc.

In diverse hoofdredactionele commentaren vroeg men zich af hoe het mogelijk kon zijn, dat er ongeveer 35 jaar een geheime militante en uit belastinggeld betaalde organisatie kon hebben gefunctioneerd, zonder dat de BVD die op het spoor was gekomen en zonder dat ministers die van het bestaan moesten hebben geweten, de “commissie stiekem” van de Tweede Kamer vertrouwelijk hadden geïnformeerd. Omdat nu ook de regeringspartijen opheldering eisten, schreef Lubbers nog in dezelfde politiek hectische maand november een brief aan de volksvertegenwoordiging waarin hij het bestaan van de organisatie toegaf, maar nadrukkelijk ontkende dat die onder buitenlandse invloed stond.

Waarheid

Zeer waarschijnlijk sprak de minister-president in die brief de waarheid, al zal die waarheid naar een bekend politiek adagium niet de volle waarheid zijn geweest. Maar Ria Beckers reageerde furieus en deed verwoede pogingen om een meerderheid in de Tweede Kamer te krijgen om Lubbers tot aftreden te dwingen. Dat lukte niet maar mede door haar acties is enige tijd later de organisatie, hoe die ook genoemd werd en/of wat er nog van over was, officieel ontbonden.

Voor wie een globale indruk wil krijgen van wat er in die dagen in Den Haag speelde zijn aan het eind van dit artikel enkele stukken uit het onvolprezen archief van De Volkskrant weergegeven.

Voor de soms zeer emotionele Ria Beckers leek Gladio een obsessie te zijn geworden. Ze vond dat de volksvertegenwoordigers hun werk niet konden doen en de democratie ziek was als leden van de regering in het geheim en met belastinggeld een milititante organisatie steunden, die zoal niet direct dan toch indirect verantwoordelijk was voor zware misdrijven. De geruchtenstroom bleef aanhouden en Ria bleef vinden dat bewindslieden het parlement bedrogen hadden. Mogelijk droeg de affaire bij aan het besluit dat ze weldra zou nemen om de actieve politiek vaarwel te zeggen.

Bommelweg

Ze begon er telkenmale over als wij naar de Bommelweg waren gefietst om haar op te zoeken. Haar oordeel over wat ze Gladio bleef noemen was niet mals en dat raakte me tot in het diepst van mijn ziel. Want ik was vanaf het begin betrokken geweest bij die geheime organisatie en wist als geen ander, dat die – althans in mijn optiek – een geheel ander karakter had dan zij veronderstelde. Maar ik achtte mij gebonden aan de zwijgplicht die ik ooit in handen van Cornelis Staf had aanvaard. Ik heb me dus van den domme gehouden en meer dan eens getracht mijn echtgenote over te halen ditmaal de uitrit op de Bommelweg maar eens voorbij te fietsen.

Die zwijgplicht is een probleem. Bevriende deskundigen die ik om advies vroeg, meenden dat het belachelijk was me daaraan na zoveel jaren nog gebonden te achten en dat er nu die organisatie is opgeheven, geen enkel belang meer bij het handhaven van die zwijgplicht gediend kon zijn. Er is, sinds Ria Beckers de zaak aansneed, een stroom van publicaties op gang gekomen. Er zijn over dat Gladio dan wel Stay Behind honderden artikelen te vinden in kranten en tijdschriften; er zijn televisie- uitzendingen aan gewijd en wetenschappelijke studies verschenen van mensen die beweren lid (of agent) van de geheime organisatie te zijn geweest en dus dezelfde zwijgplicht moeten hebben aanvaard. Een voorbeeld daarvan is te vinden op http://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/27609/een-aanval-van-de-so…

Dossier

Maar …… ik heb, toen Gladio groot nieuws was, al aan de minister van binnenlandse zaken schriftelijk gevraagd of ik inzage mocht hebben in mijn BVD-dossier en de inhoud ervan mocht openbaren. Daarop kreeg ik ten antwoord dat het inwilligen van mijn verzoek in strijd zou zijn met het landsbelang.  Ook heel recent heb ik een brief geschreven aan minister Ronald Plasterk en ook daarop kreeg ik een cryptisch antwoord. Hij, noch de AIVD kon mededelen of er van mij een dossier was. Men ging ervan uit dat zo’n dossier niet (meer) bestond, maar als het er wèl was dan zou ontsluiting ervan in strijd zijn met het landsbelang. Een Jantje van Leiden. Dat is de stand van zaken.

Dat er een dossier geweest is weet ik absoluut zeker. Ook omdat de rijksarchivaris me er wel eens op gewezen heeft toen ik nog in de depots van het Algemeen Rijksarchief in Den Haag mocht werken. Ik heb het echter nooit ingezien. Er circuleren allerlei verhalen dat alle dossiers en stukken die te maken hadden met “Stay Behind” nog niet zo lang geleden zijn vernietigd. Anderen ontkennen dat weer. Ik weet het niet. Echt niet. Zoals ik zoveel niet weet. En wie vertelt mij of ik er wel goed aan gedaan heb in november 1990 in Wadenoyen de mond te houden ?

Toch maar

Uit vrij sterke aanwijzingen leid ik af, dat koningin Wilhelmina in of rond 1950 buiten de regering om mensen gevraagd heeft haar namen te geven van personen die geschikt zouden zijn voor een geheime verzetsorganisatie. Keiharde bewijzen daarvoor heb ik niet. Ook niet voor mijn indruk dat voor de uitvoering van de plannen haar keuze is gevallen op Cornelis (Kees) Staf, die in 1951 uit de hoge hoed Minister van Oorlog werd. We mochten nooit iets noteren – ook geen afspraken in een agenda zetten – maar ik weet nog dat hij juist minister was geworden toen een onbekende me kwam vragen Staf thuis te gaan bezoeken. Daarvoor ben ik toen naar een villa ergens tussen Ede en Wageningen gefietst. Dat zal dus eind 1951 of begin 1952 zijn geweest.

Staf vertelde me dat er grote kans was dat we te maken zouden krijgen met een Russische bezetting. Er waren schepen en vliegtuigen in staat van paraatheid om in dat geval de koninklijke familie en de regering te emigreren naar Engeland of Canada. Om het contact tussen regering en moederland te  te onderhouden, de bezetter zoveel mogelijk te dwarsbomen en morele weerstand van de bevolking levend te houden, was er een geheime organisatie in wording. Daarin moesten alle lagen van de bevolking  zoveel mogelijk vertegenwoordigd zijn. De keuze was op mij gevallen omdat ik katholiek was. De leden mochten geen funktie bekleden waardoor ze in de publiciteit zouden kunnen komen en ook  geen titel hebben. Want er werd vanuit gegaan dat een bezetter zou beginnen met het interneren van de “intelligentsia”, zoals ook de Duitsers dat gedaan hadden. Maar het vergaren van kennis om te leren hoe de overheidsmachine werkt en het geweldsmonopolie hanteert, werd erg op prijs gesteld. Ik had dus weldra een kaart waarmee ik aan elke universiteit van ons land colleges kon volgen. Daarvan heb ik vaak gebruik gemaakt en ook in dit opzicht heb ik aan “Gladio” veel te danken.

Geheimhouding

Er werd veel nadruk gelegd op absolute geheimhouding, ook ten opzichte van naaste verwanten en huisgenoten. Ik zou een instructeur krijgen, die zich bediende van een schuilnaam. Hij wist mij te vinden, maar ik kon geen contact leggen met hem. Ik kon aanvankelijk nog volledig over mijn tijd beschikken en later met wat kunst en vliegwerk ruimte vinden om gemiddeld elke veertien dagen vier tot zes uur aan mijn opleiding (en enkele proefprojecten) te besteden. Daar kwam dan nog wel het nodige (lees)huiswerk bij. Hoewel ik nooit een duidelijke functie-omschrijving gezien heb, was mij de rol van “organizer” toegemeten. Op het moment dat vreemde troepen onze landsgrenzen dreigden te overschrijden, zou ik een of twee revolvers met munitie krijgen en zou mij een “klepperaar” worden toegewezen – een verbindingsman die de apparatuur had om het radiografisch contact met Engeland of Canada te onderhouden. 

Doorgaans werd ik ergens op of nabij een NS-Station opgepikt door een onopvallende maar volledig geblindeerde “bellenwagen”.  In Tiel kwam die auto nooit, al kon ik wel eens merken dat mijn instructeur iets wist over mijn woonplaats wat ik hem niet verteld had. De chauffeur blindeerde zijn ruiten als ik in aantocht was en binnen trof ik dan mijn contactman – wiens echte naam ik nooit geweten heb. De stoelen waren redelijk comfortabel, op de tafel stonden kopjes met een thermosfles koffie en er waren doorgaans ook boeken binnen handbereik. In het geblindeerde busje reden we doorgaans naar een rustige en onopvallende parkeerplaats, waar we dan enkele uren bleven staan.

Schieten

Soms reden we naar een schietbaan (waarschijnlijk) ergens op de Veluwe. “Hoeveel verzetsmensen moet het gespeten hebben dat ze geen vuurwapen hadden toen de Moffen onder aan de trap stonden om hen te arresteren – te folteren wellicht en uiteindelijk toch te fussileren ?!”. Ik leerde dus schieten. Liefst vanuit de heup met het wapen nog in de broekzak. Daarvoor trok ik vaak in de bus al een voor mij meegebrachte oude broek aan. Enkele malen kwam ik in een militaire “sportschool” terecht voor gevechtstraining of in een vertrek waarin ik verhoord heette worden en tijdens een rustige treinreis kwam er wel eens iemand tegenover me zitten waarvan ik gevoel kreeg dat ik verleid moest worden.

Er werd veel aandacht besteed aan het volgen en overbrengen van berichten waarbij de zogenaamde DLB (death letter box) een grote rol speelde. Praktijkoefeningen in het volgen en vervolgers van je afschudden werden steevast (voor mij althans) in Amsterdam gehouden. Daarbij waren “overtredingen” als door rood licht lopen, een damestoilet in duiken etc. toegestaan zolang daarmee niemand geschaad werd. Voor het geval dat ik in een politiecel zou terechtkomen had mijn instructeur een kaart, die hij slechts hoefde te tonen om van mij weer een vrij man te maken.

Ik kreeg lessen in het coderen en decoderen, maar de hoofdmoot bestond voor mij toch wel in lessen over psychologische oorlogsvoering, misleiden van het gezag, politiek, historie en cultuurfilosofie. Mijn instructeur was minstens 20 jaar ouder dan ik en ook de vijf of zes andere anonieme agenten, die ik bij oefeningen wel eens tegenkwam, leken mij vijftigers. In zoverre had de Amerikaan die tijdens de debatten met Lubbers Gladio een “ouwemannetjesclub” noemde, gelijk. Waarschijnlijk was ik de jongste in de club.

Cultuurhistoricus

Mijn leermeester was een uitermate beminnelijke man, een cultuurhistoricus (schatte ik in) die helemaal niet rechts en zelfs niet anti-communistisch was. Geloof of me of niet – het gedachtegoed dat hij predikte zou naadloos hebben aangesloten op dat van het toen nog niet bestaande GroenLinks. Gollwitzer (“En brengen waarheen gij niet wilt”) was onze catechismus en uiteraard lazen we Arthur Koestler, evenals werken van Marx en Lenin en boeken waarin de geschiedenis door een communistische bril bekeken wordt. Maar mijn instructeur zag grote gebreken in het moderne kapitalisme en wilde een maatschappij waarin macht en bezit eerlijker verdeeld zouden zijn.

Ik ben bij de dienst betrokken geweest totdat er in 1971 een boekje van mijn hand verscheen met op de achterzijde mijn foto. Ik wist niet waar die vandaan kwam. Daarmee was echter mijn cover gebroken zoals het heette, zodat mijn instructeur definitief afscheid van me nam. Ik herinner me dat ik dat vreselijk naar vond en er dagenlang de pest over in gehad heb. Maar volgens mijn contactman was het onverwachte “einde oefening”geen probleem omdat ik toch al aan mijn “briefing” toe was.

Van de organisatie had ik twintig jaar lang niets meer gehoord of gezien, toen ik er volstrekt onverwachts mee geconfronteerd werd door Ria Beckers.

Vragen

Natuurlijk had ik slechts te maken met een klein segment van de geheime organisatie en kan ik geen oordeel hebben over anderen of wat een op mij volgende generatie “gladiolen”wellicht gedaan of nagelaten heeft. De organisatie mag ook niet losgerukt worden uit haar tijd. Het kan nu makkelijk gezien worden als knullig padvinderswerk. Wie begraaft er nu in het bos een kostbaar wapendepot met een halve meter grond erop ? Maar er waren toen nog metaaldetectoren die zo diep tastten. Met de moderne communicatiemiddelen zou het niet mogelijk zijn iemand decennialang buiten de picture te houden. Misschien had de organisatie al na de Varkensbaai ontbonden moeten worden. Ik weet het niet.

Wat ik wèl weet is, dat er toen mensen zijn geweest die nu geen stem meer hebben en toen belangeloos veel tijd en energie in de geheime organisatie hebben gestoken omdat ze er heilig van overtuigd waren daarmee het land te dienen. En dat ik ben blijven zitten met de vraag of het niet juister zou zijn geweest dat ik dit in 1990 aan Ria Beckers had verteld.

Comments
Loading...