Verdwenen landmark

Door Huub van Heiningen op zondag 25 oktober 2015, geplaatst in Historie. In het landschap is nog het tracé terug te vinden van een Romeinse weg die (bij X) de Waal zou hebben gekruist.In het landschap is nog het tracé terug te vinden van een Romeinse weg die (bij X) de Waal zou hebben gekruist.

Toen omstreeks 1970 aan de Echteldsedijk de “tent van Van Soest” werd afgebroken terwille van de dijkverzwaring, is er niet bij stilgestaan dat hiermee een oeroud landmark verdween. Het “Oude Veerhuis” zoals het ook wel heette, is – samen met de galg die erbij stond – eeuwenlang een baken geweest voor de scheepvaart en was nog veel vroeger een halteplaats in een Romeinse heerweg van Nijmegen naar Tiel.

Het “Wamelse veerhuis” staat al getekend op een kaart uit 1544, getekend in verband met een proces voor het Hof van Gelre over de eigendom van een eiland in de Waal. Veel gedetailleerder is datzelfde veerhuis in 1646 geschilderd door de befaamde Hollandse landschapsschilder Jan van Goyen (http://detielenaar.nl/historie/jan-van-goyen). Naast het veerhuis zien we op zijn schilderij de Zandwijkse galg, die zoals we weten uit de journalen van de gezagvoerders van de eerste stoomboten, die rond 1830 vanuit Rotterdam de Waal op voeren, als een baken diende voor de scheepvaart. Aan de Tielse kant was de rivier te ondiep, zodat de boten vanaf de Wamelse molen (tegenover de Bellevue) in een rechte lijn op de Zandwijkse galg dienden aan te sturen.

Dat die galg daar ook eeuwen eerder al stond weten we uit bewaard gebleven aantekeningen van processen die in 1525 werden gevoerd over de geulen in de Waal en het recht om daarin te mogen varen en vissen. Een proces zoals er in de loop van de eeuwen tientallen zijn gevoerd.

Uit die aantekeningen blijkt dat er op de dijk in Passewaaij een scheepvaartbaken stond in de vorm van een hakenkruis. Mogelijk verklaart dat het feit dat er nogal eens een hakenkruis voorkomt in de huismerken van Tielse schippers uit de 16e en 17e eeuw.

Getuigen

Voor de rechtbank getuigen toen drie schippers – de 85-jarige Jan (de) Haes, de 74-jarige Jan Schull en de 62-jarige Arnt van Leeuwen – en twee vissers – Jan de Smit (Smits) en Arnt Bor. De schippers vertelden dat zij langs de noordelijke oever kwamen opvaren waar de rivier het diepst was. Omdat die aan de Tielse zij echter te ondiep was moesten ze bij het hakenkruis oversteken naar de Wamelse molen. Ook stroomafwaarts staken ze omtrent de Wamelse molen in de richting van het hakenkruis over naar de Zennewijnse oever.  De vissers getuigen dat zij van de stad het visrecht gepacht hebben van de “galge aynt Wamelse veer” tot aan de nootebomen bij Derck Zegers. Vanaf dat punt hadden zij van de schout Adriaen van Buren het visrecht gepacht tot de “Zenwennendsche Steege”. Hetgeen betekende dat de Herewaardense vissers daar niet komen mochten zonder hun consent. (zie tekst)

Tiel had drie plaatsen waar een galg kon worden opgericht – de Markt, de Echteldsedijk bij het Wamelse veer, en een locatie aan de Oude Tielerweg (tegenwoordig RKTVC-terrein). De laatste werd zeer zelden gebruik (alleen voor veroordeelden uit de Tielerwaard). Op de Markt in het centrum van de stad werden veroordeelden opgehangen als het stadsbestuur vond, dat er een spektakel van gemaakt moest worden, waarvan zoveel mogelijk inwoners getuigen dienden te zijn. Maar de Zandwijkse galg werd het meest gebruikt om een nogal lugubere reden. Doorgaans wilde men dat het lijk van de gehangene zo lang mogelijk aan de galg laten hangen om “door de vogelen des hemels verteerd te worden” en potentiële misdadigers af te schrikken. Daarvoor leende zich de Markt uiteraard niet – als hier iemand was opgehangen werd doorgaans het lijk, als niet aan familieleden was gegund het te mogen kopen, in de volgende nacht begraven.

Soms dwong het stadsbestuur ouderen die op kosten van de gemeenschap in het gasthuis verbleven, de galg op de Echteldsedijk te gaan opbouwen. Maar het gasthuisbestuur verzette zich doorgaans met succes tegen deze verplichting en dan vinden we alle kosten van een terechtstelling terug in de stadsrekeningen. Dan kon het spektakel in de papieren lopen omdat iedereen probeerde er een slaatje uit de slaan. In maart 1552 bijvoorbeeld waren er blijkens de rekening over dat jaar om de galg op te zetten in Zandwijk niet minder dan zeven arbeiders nodig, die samen 11 stuivers kregen plus nog twee timmerlieden elk goed voor een snaphaan. De totale operatie vergde het voor die tijd forse bedrag van vijf gulden en 19 stuivers. Dat werd vooral veroorzaakt door het feit dat de uit Nijmegen ingehuurde beul drie dagen in de stad moest blijven, doordat het stadsbestuur op het laatste moment besloot eerst in Arnhem de toestemming voor de terechtstelling te gaan vragen van het Hof, dat enige jaren tevoren van Karel V het monopolie op het halsrecht had gekregen. (zie tekst) Andere in de stadsrekening terug te vinden terechtstellingen waren goedkoper.

Heel lang hoorden veer en veerhuis bij elkaar, zoals dat zo treffend in beeld werd gebracht door Jan van Goyen. Hoe lang dat is geweest weten we niet omdat beiden (oftewel het veerrecht) in particuliere handen waren toen er in het laatst van de 14e eeuw in de archivalia voor het eerst gewag werd gemaakt van het Wamelse veer.

Landadel

Het veer vererft daarna onder leden van de Gelders landadel – het wordt verkocht en opgedeeld en ook gegoede burgers verwerven soms een part ervan. In 1534 is het veer weer voor de helft eigenaar van de schout Adriaan van Rossum en via vererving kwam dat deel in 1594 in handen van Diederik Vijgh, de Koning van Tiel. In zijn strijd tegen de Spanjaarden beheerde Vijgh het strategisch gelegen veer alsof het zijn volle eigendom was. Hij benoemde de veerlieden en bepaalde bijvoorbeeld dat zijn soldaten vrije overtocht hadden. Eerst na zijn dood vererfde zijn zoon Joost Vijgh in 1616 ook de tweede helft. Toen diens zoon was gestorven vond er in 1682 een gerechtelijke verkoping plaats en werd het veer op 9 december van dat jaar gekocht door de stad Tiel.

De stad kocht echter alleen het veer – niet het veerhuis. Dat was waarschijnlijk al in het begin van de Opstand in afzonderlijke publieke hand gekomen. Dat zou kunnen worden afgeleid uit het feit, dat er kort na 1600 in de Echteldsedijk, zonder het veerhuis erin te betrekken, twee redoutes (permanent bewaakte kazematten) werden aangelegd om de vijand te beletten de rivier over te steken.

Houten Wambuis

Het stadsbestuur had veel moeite om het veer te verpachten zonder een veerhuis erbij. Nadat er in 1695 voor de verpachting vergeefs aanplakbiljetten waren gestuurd naar Nijmegen, Bommel, Wageningen, Rhenen, Wijck, Heusden, Buren, Cuylenborg, Vianen, de Vaart, Ameyde en Beusichem en ook op een advertentie in de Utrechtsche Courant niemand reageerde, kocht het stadsbestuur van Jaques Pelle voor 810 gulden het “Houten Wambuis” om daar veerhuis van te maken . Als er later werd geadverteerd met het veer plus het veerhuis (zie foto) dan ging het om dit korter bij de stad gelegen veerhuis.

Ondertussen bleef het oude veerhuis een geliefde locatie voor kooplieden en andere stedelingen om een transactie te bezegelen met een flinke borrel. Dat had soms fatale gevolgen. Al in 1459 toen de veerman Jan van Dodeweerde (of Jan van Weerde) weigerde een gezelschap over te zetten omdat hij daarvoor te dronken zou zijn. Er werd een beroep gedaan op de schipper Bernt van Wees die bereid was de taak van de veerman over te nemen. Toen die daarmee niet accoord wilde gaan, werd de veerman door Jan van Dolre doodgeslagen. In 1462 was het Gerrit Hol, die er op een zwarte merrie vandoor ging nadat hij aan het Wamelse veer iemand had doodgeslagen. Ook in jongere archiefstukken komen we nogal eens de lijkschouwer tegen die tot de conclusie komt dat er in deze herberg iemand gewelddadig om het leven kwam.

Het oude veerhuis lijkt ook erg in trek te zijn geweest bij jongelui. Vooral als daar “geplooid” werd en een kandidaat had geregeld, dat er een paar dagen op zijn kosten gedronken mocht worden. Daar kwamen dan ook de ronselaars op af, op zoek naar soldaten voor het leger of matrozen voor de Oost Indische Compagnie. In de Tielse archieven zijn twaalf processen te vinden – aangespannen door ouders die stellen dat een 18-jarige zoon tekende toen hij stomdronken was gevoerd en daarom op de magistraat een beroep deden het contract nietig te verklaren. De plek waar de jongen werd geronseld blijkt dan opvallend vaak het oude veerhuis te zijn.

Pleisterplaats

Het is in de loop der eeuwen een populaire pleisterplaats gebleven en daarom uiteraard verschillende malen uitgebreid en vernieuwd. Totdat in onze tijd het Amsterdam-Rijnkanaal de oostelijke toegangsweg van en naar Tiel doorsneed en het oude veerhuis in een dode hoek terechtkwam. Het complex is vele malen van eigenaar en/of uitbater gewisseld. In het begin van de 20e eeuw was het van de in 1869 in Echteld geboren logementhouder en uitbater Evert van de Wetering, die het liet gebruiken door Gerrit de Ruiter. In 1920 ging het pand over naar de in 1860 geboren Peter van den Berg, die het in 1925 naliet aan zijn weduwe Antonia Dekker. In 1934 ging de drankvergunning naar hun zoon C.J. van den Berg en diens dochter trouwde met Ot van Soest, de laatste eigenaar.

De indicaties dat het Oude Veerhuis in de eerste eeuwen van onze jaartelling een pleisterplaats aan een Romeinse heerweg moet zijn geweest zijn niet te vinden in de archivalia maar in de bodem en de structuur van het landschap. Het traceren van die weg is vooral te danken aan Cornelis Hendrik Edelman (1903-1964) Wagenings hoogleraar bodemkunde en in de wandeling “de man van de grondboor”.

Heerweg

In het Interbellum waren er al publicaties geweest waarin de mogelijkheid werd geopperd dat er door het Land van Maas en Waal ooit een Romeinse heerweg in gebruik was geweest – mogelijk zelfs een van de wegen op de befaamde Peutinger kaart.

In de laatste jaren van de Tweede Wereldoorlog slaagde Edelman er in een aantal studenten buiten de Arbeitseinsatz te houden, door de bodem van het Rivierengebied in kaart te brengen. Die bodemkartering stond bij de Duitsers in hoog aanzien. Direct na de Bevrijding, in het najaar van 1945 en het voorjaar van 1946 zette de enthousiaste Edelman het werk voort in Maas en Waal en ik maakte diverse malen deel uit van het ploegje studenten dat de door hem uitgevonden grondboor hanteerde.  Zijn theorie was dat er tussen de Heselpoort in Nijmegen en een Waalkruising bij Tiel een  heerweg was geweest, die na het vertrek van de Romeinen buiten gebruik was geraakt. Toen er de Merovingische en Karolingische tijd langzaam maar zeker weer mensen kwamen wonen, namen die het oude tracé voor grote delen weer in gebruik. Ze noemden die stukken Koningsstraat – een toponiem dat in diverse Maas en Waalse dorpen en ook boven de Waal terug te vinden is. Edelman knoopte al die Koningsstraten aan elkaar en ging boren in de bermen ervan. En inderdaad – uit de duizenden boorgaten die in het tracé geprikt werden, kwam opvallend vaak Romeins schervenmateriaal aan de oppervlakte. Zo kon een heerweg gereconstrueerd worden tussen Nijmegen en Wamel, die in dit dorp de dijk kruiste om door de uiterwaard heen als Oude Veersteeg een voortzetting te vinden. Die nog altijd bestaande Oude Veersteeg sluit dwars door de Waal heen op de veerweg aan de noordkant die naar het Wamelse veerhuis leidde.

Er leek geen speld tussen te krijgen en toen ik dus later als correspondent van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek, de sleuf controleerde die gegraven werd voor een enorme gasleiding, stond ik erbij toen men door de Oude Veersteeg groef. Daar bleek inderdaad romeins funderingsmateriaal in te zitten en daarom heeft de sleuf daar vier dagen open gelegen om deskundigen gelegenheid te geven er naar te kijken. Er zijn toen drie Armersfoortse archeologen bij geweest, waaronder Halbertsma, die zou rapporteren.

Evenals Edelman was echter ook Halbertsma niet zo sterk in het wetenschappelijk rapporteren als in het wroeten in de bodem. Er zijn dan ook over deze nog altijd zo duidelijk in het landschap te traceren Romeinse heerweg niet of nauwelijks wetenschappelijke publicaties te vinden.

Landmarken op een kaart uit 1544. Ten westen van de stad de Gasthuismolen (toen op de plaats waar nu de Bellevue staat) en ten oosten ervan de Zandwijkse kerk en het Wamelse veerhuis.Landmarken op een kaart uit 1544. Ten westen van de stad de Gasthuismolen (toen op de plaats waar nu de Bellevue staat) en ten oosten ervan de Zandwijkse kerk en het Wamelse veerhuis.Getuigenissen over de vaarwegen en visrechten uit 1525Getuigenissen over de vaarwegen en visrechten uit 1525Een stukje uit de stadsrekening van 1552 waarin de kosten van een executie werden verantwoord.Een stukje uit de stadsrekening van 1552 waarin de kosten van een executie werden verantwoord.Als de magistraat in 1773 aankondigt het veer met veerhuis te willen verpachten, gaat het om de z.g. Planken Wambuis.Als de magistraat in 1773 aankondigt het veer met veerhuis te willen verpachten, gaat het om de z.g. Planken Wambuis.Het oude veerhuis kort voor de sloop in 1970Het oude veerhuis kort voor de sloop in 1970De Waalbandijk en de Oude Veersteeg in Wamel met (bij X) het punt waar de Romeinse heerweg op de dijk kwam.De Waalbandijk en de Oude Veersteeg in Wamel met (bij X) het punt waar de Romeinse heerweg op de dijk kwam.De Echteldsedijk in Tiel met (bij X) de resten van de oude veerweg.De Echteldsedijk in Tiel met (bij X) de resten van de oude veerweg.De Oude Veersteeg in Wamel met Tiel op de achtergrondDe Oude Veersteeg in Wamel met Tiel op de achtergrond

Comments
Loading...