Betondorp

Door Huub van Heiningen op dinsdag 15 september 2015, geplaatst in Historie.

Het leek een simpele zaak op de rol van de Arnhemse rechtbank: een Tielenaar, die moest terechtstaan voor het in een volière hebben van twee beschermde vogels – een kneu en een groenling. In het knusse zaaltje van de villa ‘Römershof’, waarin rond 1950 de Arnhemse rechtbank zetelde, bleek de verdachte echter een op de Hucht wonende Tielse politieman te zijn (de naam weet ik niet meer zeker) die terecht moest staan omdat hij – zoals het intern heette – door zijn maten werd genaaid.

Er bleek meer aan de hand te zijn. Een duidelijk verbolgen rechter begon met de verdachte te vragen waar zijn superieuren waren gebleven. ‘Wij hebben ook de korpsleiding opgeroepen, want meneer de officier heeft daar nog een appeltje mee te schillen’. Toen de politieman zei dat niet wist omdat hij was geschorst, werd de behandeling van de zaak voor veertien dagen opgeschoven. ‘En vertel uw baas maar vast dat hij opnieuw een oproep krijgt en opgehaald wordt wanneer hij opnieuw wegblijft’.

Adjudant

Twee weken later was ook adjudant Rikken present. Niet echt mijn vriend. In Tiel gold volgens hem de regel dat er niks de politie aangaande in de krant mocht komen wat hij niet had opgesteld of tevoren gelezen. Omdat ik een paar maal tegen die regel had gezondigd was ik door hem fors uitgekafferd en zelfs de toegang tot het bureau ontzegd.

In Römershof echter kreeg de adjudant op zijn beurt de les gelezen. Zowel de officier als de rechter vond dat het Tielse politiecorps door onderlinge haat en nijd absoluut niet meer voor zijn taak berekend was. Er werd in Tiel méér ingebroken dan elders en als de verantwoordelijke bestuurders er niet snel in zouden slagen orde op zaken te stellen zou aan de rijksoverheid gevraagd moeten worden de marechaussee naar Tiel te sturen.

Zware taak

Nieuws was dat eigenlijk nauwelijks. De korpsleiding stond direct na de oorlog voor een schier onmenselijke taak. De bevolking van Tiel was in de laatste dagen van 1944 geëvacueerd en de stad was daarna maandenlang het domein van Duitse bezetters geweest. Naarmate panden door de beschietingen waren beschadigd, hadden de bezetters geroofd en geplunderd en bijvoorbeeld meubilair van het ene pand naar het andere versjouwd.

Na de Bevrijding ging het in de eerste plaats om de ‘zuivering’. Er waren agenten echt fout geweest en anderen hadden meegeholpen aan het opsporen en Joden en onderduikers. Het korps was dus ‘gezuiverd’ maar niemand durfde er de hand voor in het vuur te steken dat daarvoor objectieve normen waren gehanteerd.

Veel Tielenaren vonden na de Bevrijding hun huizen beschadigd en/of leeggeroofd terug, terwijl er anderzijds bij wat de bezetters hadden achtergelaten veel, en soms vrij waardevolle spullen zaten. Vooral bij het bestemmen van de goederen, waarvan de wettige eigenaren niet konden worden opgespoord, was veel haat en nijd ontstaan. Bij de wrange verhoudingen binnen het politiecorps speelden de politieke overtuiging en het geloof en rol, terwijl er ook nog animositeit was tussen oudgedienden en nieuwkomers. Die rivaliteiten waren uiteraard van invloed op de prestaties van het korps, zodat er heel wat te verbeteren viel. Maar Tiel was een kleine gemeenschap – de problemen bij de politie lagen op straat. Elke Tielenaar kende die.

Vijver

Maar de adjudant dacht daar kennelijk anders over. Na afloop van de zitting vroeg hij of ik even mee wilde lopen omdat hij iets met me wilde bespreken. Gebroederlijk zij aan zij liepen we dus het park in bezijden de villa. Buiten het zicht van de rechters gekomen barstte hij echter ineens los. ‘Als jij mij niet belooft dat er niks naar buiten komt van wat je zojuist hoorde, sla ik je hier de vijver in’. Wat verrast reageerde ik met iets in de geest van ‘dat moet dan maar, want ik bepaal zelf wat ik aan de krant doorgeef’. Maar ik kreeg de kans nauwelijks om de zin af te maken – hij sloeg me in de vijver, die ik tevoren niet of nauwelijks opgemerkt had. Terwijl ik bezig was op het droge te klauteren reed hij weg, met de claxon nog even onderstrepend dat het menens was.

Terug in Tiel was de uitsluiting van de officiële politieberichtgeving geen enkel probleem. Ik woonde al jaren tegenover het politiebureau in de Gasthuisstraat en werkte graag in de nachtelijke uren. In ‘de wacht’ zag men dan dat het licht nog brandde en dan werd er nogal eens op het raam getikt met de vraag of ik een poosje wilde komen om als vierde man te klaverjassen of derde man te zwikken. We hadden daar altijd veel lol. Los daarvan was het korps zo lek als een mandje – de fotograaf Gerrit van Mourik had volop tipgevers uit het Tielse politiekorps.

Brigadier

Maar het vijver-avontuur had mij aan het denken gezet over de vraag in hoeverre een redactie voor berichtgeving afhankelijk zou moeten zijn van de politie. Een dag of wat later legde ik dus het journalistieke credo ‘audi ad alteram partem’ (hoor ook de andere partij) voor aan Elibert. Dat was een goedmoedige stevige brigadier, gedoopt als Elibert Verweij en wonend aan de J.D. van Leeuwenstraat. Hij behoorde tot de anti-adjudantpartij maar wilde overal buiten blijven. Daarom stond hij altijd open voor een goed gesprek of het geven van informatie, maar dan mocht ik pas bij hem aanbellen als het donker was geworden. Na wat kwasi-gefilosofeer over mijn probleem suggereerde Elibert ‘Waarom ga je je oor niet te luisteren leggen in het Betondorp?’

Betondorp

Het Betondorp aan het einde van het Nachtegaalslaantje en in de schaduw van de watertoren, dateerde van net na de Bevrijding. Om snel alvast iets te doen aan de enorme woningnood had de regering op 24 juni 1945 opdracht gegeven 6000 betonnen noodwoningen te bouwen (voor informatie: www.youtube.com/watch?v=NWLh4f_5_gg ) en daarvan had Tiel er 42 gekregen. De eerste woningen van dat contingent werden al op 14 november 1945 betrokken.

Maar ze waren op een nare plek gezet – altijd drassig door het kwelwater en bijna tegen de enorme vuilstortplaats aan waarop veel chemisch industrieel afval was terechtgekomen. Vanaf de eerste bewoning in wat in de volksmond weldra het Betondorp zou heten, kwamen er dan ook al klachten van de Inspectie voor de Volksgezondheid over de situatie aldaar bij het gemeentebestuur binnen. Het was de bedoeling van de rijksoverheid dat de noodwoningen snel weer zouden worden afgebroken en daarom kreeg Tiel in 1947 een extra ‘bouwvolume’ van 42 woningen. Maar de woningnood was zo groot en de ‘contingenten’  waren zo gering dat de gemeente vrijkomende woningen in het Betondorp niet allemaal afbrak, maar er vaak andere bewoners naar toe dirigeerde. En dat waren dan vaak mensen, die men in de vooroorlogse stukken tot de a-socialen rekende. Mensen die geen huur konden of wilden betalen of om andere redenen nergens anders een dak boven het hoofd konden vinden. In 1950 waren er in het Betondorp nog 22 woningen bewoond. Het proces had zich toen voltrokken: het Betondorp was een ghetto geworden, waarbij de situatie in menig woonwagenkamp nog gunstig afstak.

In de raad en in de jaarlijkse toespraken van de burgemeester werd vaak in superlatieven over het Betondorp gesproken, maar anderzijds was het natuurlijk de gemeente zelf die het buurtje in stand hield en er mensen heen dirigeerde. In 1956 waren er nog altijd 14 woningen bewoond in het Betondorp, dat pas in het begin van de jaren zestig definitief tegen de vlakte ging.

Deal

Het stonk er een beetje, veel bewoners hadden een hond, en niemand leek een achternaam te hebben. Het was allemaal Bleke Bet en Manke Janus of iets dergelijks, maar velen van hen bleken best bereid een praatje te maken en het was er niet ongezellig. Ik strooide rond dat ik een tientje zou willen betalen voor informatie over elke de nacht tevoren gepleegde inbraak. Oliedom zoals weldra zou blijken, maar wel effectief. Want al bij mijn tweede bezoek riep een bejaarde vrouw me apart met de vraag ‘hoe mot het dan met dat tientje ?’ Ik vertelde dat haar dat ik de morgen na een inbraak in de brievenbus van De Gelderlander in de Weerstraat briefje wilde vinden met daarop de straat waar was ingebroken en een raming van de buit. Daarvoor zou ik dan een tientje betalen. Waarop ik kreeg te horen dat ik dat tientje dan dezelfde dag moest afgeven bij Vrouw van Rosmalen in het Centrum aan de Markt. Ik diende er echter rekening mee te houden dat ik in de gracht terecht zou komen als ik niet betaalde. Waarmee ik dus zowel de Tielse schakel tussen onder- en bovenwereld als een beetje schrik in de benen te pakken had.

Corpschef

Het werkte voortreffelijk. In twee maanden tijds had ik zeven inbraakberichtjes kunnen doorsturen en in het corps werden baliemedewerkers ervan verdacht aangiften onmiddelijk door te seinen. Maar bij nummer acht ging het mis. Er was ingebroken in de Tydemanstraat bij mensen die met vakantie waren zodat de polititie via de krant van het misdrijf moest kennisnemen. Ditmaal werd ik opgehaald een voorgeleid aan de korpschef Suèr. Die wist wel dat ik mijn bron niet zou prijsgeven zodat ik slechts de vaderlijke vermaning kreeg, dat ik, aldus doorgaande, snel in de bak zou belanden. Het zou ook, zo realiseerde ik me, voor de politie niet moeilijk zijn. Er waren nog geen mobieltjes en zij wisten dat ik in mijn kosthuis geen telefoon had. Toen ik dan ook in de op de waarschuwing volgemde nachtelijke uren even naar het kantoor ging waar ik iets zou hebben vergeten, zat er op de stoep van de meubelzaak Kars, recht tegenover de ingang van het kantoor, een van mijn klaverjasmaten. Hij was niet blij me te zien ditmaal. Gelukkig had ik kort tevoren bij de afgifte van mijn laatste tientje aan vrouw Van Rosmalen gemeld, dat vrienden van me uit mijn buurt moesten blijven omdat ik door de politie werd geschaduwd en dat ook het kantoor besmet terrein was geworden. Er gebeurde dus niets meer en al na een dag of tien gaf de politie het beleg op.

Met het verbreken van de connectie viel er een enorm pak van mijn hart. Ik zou er financieel volledig onderdoor gegaan zijn, want ik werkte nog freelance. Voor mijn verslag van de speech van de Officier in Römershof had de adjunct Henk Erkens me nog royaal 25 piek betaald, maar berichten over inbraken in Tiel waren zo alledaags dat er hoogstens een regel of acht voor werd ingeruimd. Tegenover mijn acht tientjes had ik dus welgeteld net iets meer dan twaalf gulden kunnen declaren. Ik troostte me echter met de overweging dat ook aan een goede levensles een prijskaartje hangt.

En, O ja – adjudant Rikken. Toen die in april 1954 bij zijn afscheid een koninklijke onderscheiding kreeg, was er al weer heel wat veranderd in Tiel. Ik ben hem dus netjes gaan feliciteren. Hij lachtte breed. Het gevoel dat tegelijkertijd gepoogd werd mijn arm uit de kom te draaien moet inbeelding zijn geweest.

Comments
Loading...