Sterkenburg

Door Huub van Heiningen op dinsdag 11 augustus 2015, geplaatst in Historie.

Het monumentale pand Sterkenburg op de hoek van de Gasthuisstraat en het Hoogeinde is 460 jaar geleden gebouwd op de fundamenten van wat eerder “het Gewanthuys” of de Tielse Lakenhal was. Daarvan is alleen de kelder met zijn vier gewelven nog over – van buiten nauwelijks zichtbaar omdat het straatniveau sindsdien ongeveer twee meter hoger is geworden.

De stadsbestuurders, die in 1371 een privilegebrief van hertog Reinald kregen waarin werd toegestaan een “gewanthuys” te exploiteren, moeten ervan gedroomd hebben van Tiel weer het welvarend handelscentrum uit de lang vervlogen eeuwen te maken. De lakenindustrie was immers, zoals dat tegenwoordig zou heten, booming bussines geworden. Vlaamse steden als Brugge, Gent en Ieperen waren door het weven van schapenwol en verhandelen van zelf geproduceerd laken snel zeer welvarend geworden. Ook in Gouda en Leiden was een lakenindustrie op gang gekomen die vele monden kon voeden. Dat moest ook in Tiel mogelijk zijn, want heel veel bewoners van het Rivierengebied fokten schapen (de ontelbare schapenscharen in gemeente- en familiewapens getuigen daar nog altijd van) zodat er een enorm aanbod aan wol was.

Maarschalk

De hertog dacht dat er aan het produceren en verhandelen van laken veel te verdienen was en daarom hanteerde hij bij het schenken van dit privilege het aloude “voor wat hoort wat”. Tiel zou voor het mogen exploiteren van een gewanthuis jaarlijks aan zijn maarschalk “twelf Wilhelmus Hollantsche schilden” moeten betalen en dat ten eeuwige dagen. Die laatste bepaling zorgde voor het koddige verschijnsel, dat sinds 1371 tot en met 1794 in de stadsrekeningen een post van twaalf gulden “aan de maarschalk van Gelre” te vinden is. Ook nog toen de titel en het gewanthuis al eeuwen verdwenen waren. Het Hof van Gelre, sterk gehecht aan tradities, wees iemand aan die zich “maarschalk van Gelre” mocht noemen en dan een briefje schreef naar Tiel om met twaalf gulden over de brug te komen.

Het is niet bekend wanneer het Gewanthuis in Tiel is gebouwd, maar uit een buurspraak van 1447 blijkt dat het toen al volop in bedrijf was. We vinden daarin voorschriften voor de “gewantsnijders” en regels voor het betalen van accijnzen voor het verhandelen van wol en laken. Deze goederen mochten niet langer buiten de lakenhal verhandeld worden. De aan het Gewanthuis grenzende huizen in de Gasthuisstraat (die toen nog Nyestraat heette) werden bewoond door gewantsnijders.

Of het Gewanthuis ooit eigendom van de stad was, is niet duidelijk. Vast staat dat het gebouw in 1450 eigendom was van Arnoldus Loeffen en zijn vrouw Aleydis, die het soms lieten exploiteren door familieleden Arnoldus van de Pol en diens echtgenote Petra. De familie deed het in 1490 van de hand, maar hoewel het gebouw toen het Gewanthuis heette en nog decennia daarna zo genoemd zou worden, is het zeer de vraag of het toen nog als zodanig functioneerde.

Oorlogen

De lakenindustrie heeft Tiel niet de welvaart gebracht die ervan verwacht werd en dat zal vooral te wijten zijn aan de z.g. Onafhankelijkheidsoorlogen (1477-1482 en 1494-1543. Het gewest Gelre verzette zich met alle mogelijke middelen tegen de Bourgondische expansiedrift en daarbij waren juist Tiel en het Rivierengebied vaak de plaats waar de legers elkaar bevochten en rondtrekkende krijgsbenden plunderend en brandschattend van dorp naar dorp trokken. Dat betekende het einde van de welvaartsbronnen. Omdat in de archivalia van rond 1490 geen gewantsnijders meer aantreffen mag er vanuit gegaan worden, dat het Gewanthuis toen al niet of nauwelijks meer als zodanig functioneerde. 

Het gebouw zelf werd kort na 1500 eigendom van Herman Hermans, die het tientallen jaren bewoonde en het in 1544 verhuurde aan Jan van Sterkenburg. Het valt op dat deze Jan van Sterkenburg gelijk al bij zijn komst naar Tiel in strijd met de regels burgerrecht kreeg en op 31 januari 1544 in handen van de schout Adriaan van Rossum de eed aflegde om  Tiel trouw te zullen dienen. De uitzonderingspositie moet de nieuwkomer te danken hebben gehad aan het feit dat hij een bastaardzoon was van de heren Van Sterkenburg, de bewoners van de gelijknamige burcht aan de Langbroekerwetering. Dat waren al vanaf 1456 Van IJzendoorns, verwanten van de Van Rossums. Leden van beide families speelden een belangrijke rol in de politieke ontwikkeling van die dagen.

Zoals dat in Tiel het geval was met Claes Vijgh en zijn zoon Diederik steunde “Jan van Sterkenburg den Ouden” in het geheim De Opstand en nam zijn zoon, ook Jan gedoopt, gewapenderhand deel aan het verzet. Evenals Diederik Vijgh dat later zou overkomen, werd deze Jan van Sterkenburg in 1575 in Nijmegen gevangen genomen om vervolgens op een wat merkwaardige wijze de gelegenheid te krijgen om te ontsnappen.

Tijns

In 1555 kocht Johan van Sterkenburg Sr. het waarschijnlijk ernstig vervallen Gewanthuys van Herman Hermans om het te slopen en op het vrijgekomen terrein een geheel nieuw groot herenhuis te bouwen. Dat werd het huidige Sterkenburg, waaraan sindsdien geen ingrijpende veranderingen zijn aangebracht. Het bewijs daarvoor is ijzersterk. Tijdens de restauratie van het pand onder leiding van het architectenbureau Nico van de Rijt en J.A. Heine werden in 2006 enige stukken hout uit de dakconstructie dendrochronologisch en via C 14 proeven onderzocht en toen bleek dat ging om balken uit eiken die omstreeks 1550 moesten zijn geveld. De fraaie Oud-Hollandse kapconstructie is dus origineel en 460 jaar oud.

De Tielse Van Sterkenburgs hebben maar twee generaties lang in hun  herenhuis gewoond. In 1592 treedt Jacoba van Heukelom op als weduwe van Jan van Sterkenburg en eigenaresse van het huis. De kennelijk kinderloze weduwe verkocht enkele jaren later het pand aan Gerrit de Reuver. Sindsdien is het pand eigendom geweest van diverse Tielse en Nijmeegse notabelen. Op de familie de Reuver (of Roovers) volgde burgemeester Adolph Blanken, de Nijmeegse schepen Wilhem Reijnders en – dan zijn we ondertussen aangeland bij 1761 – de landschrijver Barend Taay. Diens kinderen verkochten het in 1783 aan de graanhandelaar Gerrit Jan van Versendaal en zijn echtgenote Eegje van Versendaal, die het op hun beurt in 1789 weer overdroegen aan de “meestertimmerman” Marinus van Roosendaal en diens echtgenote Hermina Fraterman.

Van al deze eigendomswisselingen zijn de acten terug te vinden in de archieven van de schepenbanken. De eigenaren zijn ook nog op een andere wijze te traceren. Jan van Sterkenburg Sr liet in 1555 naar de gewoonte van die jaren zijn gereedgekomen nieuwe huis door priesters inzegenen. Daarbij werd dan vastgelegd dat er jaarlijks – en ook ditmaal weer ten eeuwige dagen – uit het huis een tijns zou worden betaald. Het werd een royaal servituut, passend bij de status van het huis: “16 stuyvers en een oortje, verschuldigd op Sint Agnietendag (21 januari) aan de kapittelheren”. Na de Reformatie is was die tijns verschuldigd aan het stadsbestuur, zodat de eigenaren van Sterkenburg ook te vinden zijn in de tijnsregisters. Totdat de toenmalige eigenaar, dokter Bollaan, in 1894 de verplichting afkocht.

Aanleunwoningen

Het ging bij al die eigendomswisselingen niet alleen om het woonhuis, dat redelijk intact gebleven is. Er stonden schuren en een of twee hooibergen achter. Die waren ook bereikbaar vanaf het Hoogeinde, waar naast het pand een groot koetshuis stond. Totdat het in 1789 in handen kwam van Van Roosendaal, die als een soort projectontwikkelaar inspeelde op de grote politieke veranderingen door de Bataafse Revolutie. Hadden de regenten mensen die misschien wel eens een beroep zouden kunnen doen op de sociale voorzieningen zoveel mogelijk uit de stad geweerd – nu bouwde men er huizen voor. Van Roosendaal brak dus een koetshuis af en bouwde aan het Hoogeinde vier kleine charmante “aanleunwoningen”, waarschijnlijk vooral voor eigen personeelsleden.

Van die vier huisjes, die nog keurig zijn ingetekend op de eerste kadasterkaarten, gemaakt in 1833, zijn er drie gesneuveld voor uitbreiding van de nabije “’tabaksfabriek”. Bij de eigendomswisseling van 1852 is er van het viertal nog slechts ééntje over. Dat heeft alle bouw- en sloopwoede overleefd – een piepklein winkeltje – waarvan de bovenste helft van de voorgevel in elk geval nog origineel is. Het is een beetje vreemd dat dit winkeltje formeel niet dezelfde monumentale status heeft als Sterkenburg.

Volksvlijt

Nadat Sterkenburg in de jaren rond 1800 enige tijd in handen was geweest van de gebroeders De Kleijn uit Drumpt kwam het in bezit van N.C. Krouwel “agent der volksvlijt”. Behalve Sterkenburg heet het pand in de stukken van die jaren ook wel “het huis met de 18 vensters”. In hoeverre die “volksvlijt” hem geïnspireerd heeft is niet duidelijk maar feit is dat de in het Weeshuis opgegroeide Tielenaar Gijsbert Stout in 1835 in de schuur van Sterkenburg de smederij begon, waaruit de befaamde fabriek voor landbouwwerktuigen is ontstaan, die Tiel tot ver over de landsgrenzen bekendheid gaf. Ook J.N.J. Daalderop (1883-1963) een van de meest succesvolle industrieëlen van Tiel, heeft jarenlang (1912-1920) in het pand Sterkenburg gewoond.

Als dr. C.W. Bollaan in 1903 Sterkenburg te koop aanbiedt, noemt hij het in de advertenties “een heerenhuis, erf en tuin met kantoorgebouw aan de Gasthuisstraat voor enkele jaren geheel nieuw gesticht en gedeeltelijk geheel gerestaureerd en uitmuntend onderhouden, Bevattende het huis diverse kamers waaronder zeer ruime, grotendeels voorzien met marmeren schoorsteenmantels en gestucadoorde en geschilderde plafonds, gas en waterleiding en verdere gemakken”. Het pand is dan ingezet voor f 5.400.-;

Niet alle bewoners van Sterkenburg waren succesvol. In 1932 moest het pand gerechtelijk worden verkocht omdat de notaris Everard Pieter van Steenbergen zelfmoord had gepleegd.

Restauraties

Zoals dat met elk oud pand het geval is, hebben in de loop van de jaren diverse eigenaren hun bezit gemoderniseerd, maar uit het feit dat het dak sinds de bouw in 1555 niet is veranderd, mag worden afgeleid dat Sterkenburg grotendeels authentiek en van grote monumentale waarde is. Intern is er in al die jaren veel veranderd en het is vaak ook niet duidelijk meer uit welk tijdperk bepaalde onderdelen dateren. Zodat er vraagtekens genoeg overblijven. Een nieuwe eigenaar heeft het in 2004/06 grondig en met veel eerbied voor het verleden laten restaureren. Er zouden méér oude panden in Tiel op deze wijze gerestaureerd moeten worden.

Het meest fascinerend onderdeel van Sterkenburg is de kelder met de vier kruisgewelven, die ooit de kelder van het Gewanthuis moet zijn geweest. De vloer daarvan is verhoogd en het lijkt erop, dat die kelder ooit van buitenaf toegankelijk is geweest. Naarmate het straatniveau hoger werd is die buitendeur gereduceerd tot een soort stortluik, waardoor bv steenkool kon worden aangevoerd. De nog maar smalle opening, ooit de bovenkant van een deur, is aan de Gasthuisstraat met een rooster afgesloten.

Vraagtekens kunnen er ook gezet worden bij het blinde raam in de zijgevel. Was dit ooit de deur naar de verdieping van een verdwenen aanbouw, accentueerde de nis ooit een familiewapen, of stond er wellicht een beeld in ??????

De redactie van De Tielenaar zal trachten regelmatig artikelen te plaatsen over de bouw- en bewoningsgeschiedenis van beeldbepalende Tielse panden. Daarbij zullen dan foto’s en tekeningen ook een indruk geven van wat er aan historisch interessant materiaal vaak achter de gevels verborgen zit.  Vragen, suggesties en andere opmerkingen zijn welkom.

Sterkenburg had vier "aanleunwoningen" waarvan er nog één over is. Dat is een winkeltje geworden.Sterkenburg had vier “aanleunwoningen” waarvan er nog één over is. Dat is een winkeltje geworden.De zijgevel met het "blinde venster"De zijgevel met het “blinde venster”Ornamenten boven de venstersOrnamenten boven de venstersKinderbintjes en moerbalken zijn geheel naar de oorspronkelijke staat gerestaureerd. Kinderbintjes en moerbalken zijn geheel naar de oorspronkelijke staat gerestaureerd. De kelder met vier gewulven resteert nog van het GewanthuisDe kelder met vier gewulven resteert nog van het GewanthuisAan de straatkant is beneden een stortgat nog de bovenkant zichtbaar van wat een deur kan zijn geweestAan de straatkant is beneden een stortgat nog de bovenkant zichtbaar van wat een deur kan zijn geweestnog bruikbare oorspronkelijke elementen zijn gespaardnog bruikbare oorspronkelijke elementen zijn gespaardDe originele kapconstructie van eiken die rond 1550 geveld zijnDe originele kapconstructie van eiken die rond 1550 geveld zijningekraste telmerken in de kapconstructieingekraste telmerken in de kapconstructieDeel van de eerste kadasterkaart uit 1833: S = SterkenburgDeel van de eerste kadasterkaart uit 1833: S = SterkenburgSchetsen van het kadaster waaruit blijkt dat de "aanbouwen" zijn veranderdSchetsen van het kadaster waaruit blijkt dat de “aanbouwen” zijn veranderd

Comments
Loading...