Tielse namen: Oosterhoudt

 Tegen het eind van de 18e eeuw waren de Van Oosterhoudts de belangrijkste ondernemers van Tiel. Veel is daarvan niet meer te zien. De meest artistieke representant van deze familie – Dirk Daniëlszoon – liet echter een groot aantal schilderstukken en tekeningen na. En de poort van zijn “atelier” zit nog altijd in de walmuur. Niemand weet wat daarachter schuil gaat.

 De in 1756 geboren Dirk van Oosterhoudt stamde uit een welgestelde Tielse bakkersfamilie. Het familievermogen werd vooral vergaard door zijn grootvader Ariën van Oosterhoudt, gehuwd met Johanna van Krieken en vanaf 1731 tot 1746 “gemeensman”.  Ariën kocht in 1720 een bakkerij in de Weerstraat met daarachter, uitkomend op het Plein, een grutmolen. Beiden legden hem geen windeieren, want behalve het landgoed Onrust in Zandwijk kon Arien uit de opbrengsten ervan ook nog een andere bakkerij kopen in de Waterstraat. Die was bestemd voor zijn zoon Daniel, gehuwd met Elisabeth van Mill.

 De bakkerij met grutterij aan de Weerstraat werd in 1749 verkocht aan Antony Bonebakker ( zie http://detielenaar.nl/kunst-cultuur/bonebakker ), werd later drukkerij Campagne en is nu het complex van Van Dee. Vader Daniël erfde in 1753 het huis met bakkerij op de hoek van de Waterstraat (nu De Tuinen van Tiel) en daar werd in 1756 de kunstschilder geboren. Diens moeder, Elisabeth van Mill, stierf in 1773, waarna bakker Daniël enige jaren later hertrouwde met Anna Sophia Stronck.

 Het ging Daniël van Oosterhoudt ook in de Waterstraat voor de wind. In 1787 kon hij elk van zijn vijf kinderen 600 gulden uitbetalen “uit moeders versterf” en in 1789 kocht hij samen met zijn oudste zoon Adriaan voor 2.745 gulden een grutmolen met pakhuis achter het Hoogeinde van de eigenaar van Het Hof van Arkel.

 Ondertussen betoonde zijn middelst zoon Dirk “veel zucht voor de schilderkonst” (zie Biografisch Woordenboek van Tiel, deel 2 pag 69 ev ook voor de artistieke betekenis van zijn werk). Hij kreeg zijn eerste lessen van stadgenoot Roeland van Eijnden. Daarop volgde een studie in Amsterdam die minder goed beviel, zodat hij werd voortgezet in Düsseldorf, bij de keurvorstelijke schildersacademie, waar Dirk vijf jaar verbleef. Omstreeks 1780 keerde de kunstschilder terug naar Tiel, waar hij op 28 mei van dat jaar trouwde met Hester van den Bosch.

 In 1783 kocht Dirk van Oosterhoudt van de brouwer Jacob Cock – eigenaar van het Hof van Arkel – voor 2000 gulden een huis aan het Hoogeinde achter uitkomende op de Wal. Op die wal werd door Christiaan de Ven een lijnbaan geëxploiteerd, die door de schilder werd overgenomen – in 1785 voor de helft en in 1787 voor de andere helft. In 1790 kreeg hij toestemming om zijn touwslagerij uit te breiden met een fijn garen spinnerij en daarvoor loodsen te zetten tegen de stadswal. Het huis aan het Hoogeinde werd in 1794 voor 1850 gulden verkocht aan Hijmans omdat Dirk ondertussen – op 6 november 1793 – voor 2.620 gulden een veel groter huis met schuur op de stadswal had gekocht. In dit huis (zie kadasterkaart) zou hij de rest van zijn leven blijven wonen.

 De Van Oosterhoudts waren “patriots” en even leek het erop dat er na de omwenteling van 1795 voor Dirk een politieke loopbaan zou zijn weggelegd. Hij werd kapitein van de nieuwe schutterij, gemeentesecretaris en – eveneens voor de korte tijd – lid van de gemeenteraad. Waarschijnlijk stelde de politiek hem teleur. In 1797 kreeg hij toestemming om zijn bedrijf ondergronds uit te breiden en daarvoor openingen te maken in de walmuur. Het stadsbestuur stelde uitvoerige voorwaarden: het moesten sterke gewelven zijn, die bij nacht en ontij goed zouden kunnen worden afgesloten. Maar Oosterhoudt mag in de toegang eventueel een venster maken, mits hij daarin ijzeren spijlen aanbrengt.

 Ondertussen had Dirk samen met zijn jongste broer Johannes een “fabriek voor fijne verfwaren voor de schilderkonst” gesticht in een pand aan de Vleesstraat. Met de daarin gemaakte verfstoffen werden prijzen gewonnen op nationale exposities en toen Lodewijk Napoleon in 1808 Tiel bezocht ging de koning daar op bezoek.

 Ook koning Willem I, die vanaf 1815 regeerde stelde veel belangstelling in de economische ontwikkeling en liet zijn gouverneurs regelmatig bij de gemeentebesturen informeren of er b.v. al tekenscholen waren gesticht. In 1819 liet het stadsbestuur van Tiel weten: “D. van Oosterhoudt werkt niet ongunstig als schilder en fabrikant van kunstverven en geeft lessen in tekenen”. Op 28 augustus 1824 rapporteerde de burgemeester dat Tiel geen tekenschool had “maar D. van Oosterhoudt geeft aan huis tekenlessen. Gezien zijn hoge leeftijd kan hij echter geen lessen meer buitenshuis geven”. In 1825 kon aan de gouverneur gemeld worden dat Van Oosterhoudt “een ereprijs voor teekenkunde van het genootschap Felix Meritus had gekregen” maar dat Tiel gezien de financiële situatie geen apart gebouw voor tekenkunde beschikbaar kon stellen. Het zou tot 1897 duren vooraleer er boven de kelders van Oosterhoudt een ambachtsschool werd gebouwd.

 Er is vrij veel geschreven over het werk van Dirk van Oosterhoudt (zie Biografisch Woordenboek) , dat nog regelmatig opduikt bij kunstveilingen. Het Rijksmuseum heeft vrij veel werken van hem en dat is te danken aan de Amsterdamse kunstverzamelaar Adriaan Bonebakker (zie de UvA-scriptie 2014 J. de Fouw, Adriaan de Lelie 1755-1820). De moeder van deze uit Tiel afkomstige goudsmid heette Maria Cornelia Oosterhoudt en was een familielid van de Tielse schilder.

 Dirk van Oosterhoudt had geen kinderen. Zijn weduwe, die toen zo blind was dat ze geen handtekening meer kon zetten, maakte op 17 april 1830 een testament waarin ze al haar bezittingen naliet aan Jan van den Bosch, gouverneur-generaal van Nederlandsch Indië.