Water in Tiel Oost

Door Huub van Heiningen op maandag 6 juli 2015, geplaatst in Openbare ruimte, Historie. Een luchtfoto die de piloot van een RAF Spitfire maakte op 21 februari 1945. De stad is dan geëvacueerd en de Duitsers hebben getracht de Betuwe onder water te zetten. De Dode Linge is buiten zijn oevers getreden, waardoor de tuinen achter de huizen aan de Lingedijk blank staan. Het eerste sluisje van de Binnenboomse wetering staat open, maar het tweede is gesloten. Daardoor loopt het gebied ten oosten van de Rode Pannenbuurt onder water.Een luchtfoto die de piloot van een RAF Spitfire maakte op 21 februari 1945. De stad is dan geëvacueerd en de Duitsers hebben getracht de Betuwe onder water te zetten. De Dode Linge is buiten zijn oevers getreden, waardoor de tuinen achter de huizen aan de Lingedijk blank staan. Het eerste sluisje van de Binnenboomse wetering staat open, maar het tweede is gesloten. Daardoor loopt het gebied ten oosten van de Rode Pannenbuurt onder water.

De dijk staat daar op zwak staal, zoals het in vaktermen heet. Tiel-Oost heeft daardoor al ruim 600 jaar wateroverlast – vooral door kwelwater.  Al die jaren zorgden botsende belangen van degenen die met het probleem te maken hebben, voor  wrijvingen tussen bewoners en gezagsdragers. Op 29 januari 1995 was het kwelwater in Tiel-Oost directe aanleiding van de evacuatie van Tiel. Sindsdien is er geen echt hoog water meer geweest. En dat is maar goed ook. Want er is nog slechts een sober begin gemaakt aan de oplossing van het probleem.

Dank zij de (nog) onbekende auteur van de Chronicon Tielense weten we hoe het is begonnen. Hij woonde er vlak bij, was bezitter van een groot deel van de gronden in het tegenwoordige Tiel-Oost en moet dijkgraaf of heemraad zijn geweest. De dijk waarover hij in de eerste helft van de 15e eeuw schrijft, zal niet veel meer zijn geweest dan wat we nu een kade noemen – met de bedijking van het gebied was immers pas hooguit twee eeuwen eerder begonnen. In 1409 brak die dijk tussen Zandwijk en Ooi en in 1411 was dat het geval bij Zandwijk bij een plek die hij “Koyter” noemt.

Watersnoodwinter

Zoals bij nagenoeg alles wat hij voor ons vastlegde, somt de auteur die doorbraken op als dorre feiten die hij van horen zeggen heeft of uit andere bronnen putte. Maar hij veert helemaal op als hij de watersnood december 1437 tot maart 1438 beschrijft. Daar is hij zelf bij geweest, stond hij met de benen in de klei om noodbekistingen te maken en kon hij maar moeilijk verkroppen dat hij niet mee mocht in de “sweenhals” die mensen ging redden. Maar dat bleek zijn geluk te zijn. Want het scheepje sloeg om en een van de inzittenden had een dag en een nacht in de kruin van een boom gezeten alvorens hij door een ander vaartuigje werd gered. Het is niet moeilijk hier al de taferelen voor de geest te halen die later o.a. door Vinkeles en nog weer veel later met filmcamera’s werden vastgelegd. Van doden rept de auteur niet en hoewel de watersnood van 1438 armoede en honger achter zich aansleepte, was door de Goddelijke Barmhartigheid de oogst in de zomer van 1439 al weer overvloedig.

In deze watersnoodwinter is de dijk tussen Zandwijk en het dorp Ooy op vijf plaatsen gebroken en daaruit leerden de bewoners een lesje. Ze kozen heemraden en onder leiding daarvan werd “tussen Philippus en Jacobus” (d.i. 1 mei) besloten wat verder landinwaarts een geheel nieuwe dijk te leggen. Onder andere over de akkers van “het eerbiedwaardige vrouwtje Margriet Zandlopers” (d.i. de stichteres van een van de Tielse kloosters). Die dijk werd nog in 1438 “met Gods hulp” voltooid. Dat is de dijk die ook nu nog altijd Tiel-Oost beschermen moet.

Waarschijnlijk wist men ook toen al, dat die dijk, hoe hoog men hem ook zou maken, niet in staat zou zijn volledige beveiliging tegen een wassende Waal te bieden. De dijk stond op waterdoorlatende ondergrond – op slecht staal. Er waren dus ingrijpende maatregelen nodig om “kwelwater” af te voeren. De Gelderse hertog Arnold had daarop al geanticipeerd door in watersnoodwinter 1437/38 de bewoners van de Betuwe en van Tiel te verplichten hun “gemeyne waterganck” oftewel de Linge behoorlijk te onderhouden. Desgewenst kon ook Tiel-Oost dus lozen op de Linge, waarvan het gemiddeld waterniveau altijd enkele ellen beneden dat van het Zandwijkse maaiveld ligt.

Dorpsgrave

De Zandwijkers, die nu dus een eigen “waterschap/dorpspolder” hadden, moesten dus op zoek naar een mogelijkheid in die richting het kwelwater kwijt te raken. Doordat de Tielse archivalia uit de 15e eeuw grotendeels verloren zijn gegaan, is niet meer na te gaan hoe en wanneer zij er aan begonnen, maar uit de gerichtssignaten van 1456 blijkt zij toen in elk geval al hun “dorpsgrave” hadden. Het fenomeen duikt vanaf dat jaar vaak op in de archivalia. De dorpsgrave loopt langs ‘dye Lock” (nu het TEC-terrein) en de Zandwijkers zijn er trots op. In zijn getuigenis over het transport van landerijen getuigt de pastoor van Zandwijk in 1470 dat die gelegen zijn aan “onser dorpsgreve”.

Het ging om een afwateringskanaal vanaf de dijk bij het Nachtegaalslaantje tot aan de Linge – een wetering in drie etappes met op de plaats waar hij onder een weg door moest  een sluisje, schutje ofwel stuwtje. Het “Eerste Sluysje” stond aan de (latere) Grotebrugsegrintweg – de locatie die nog altijd Het Sluyske heet. Toen die weg met zand verhard werd kwam er een boom op om tol te kunnen heffen. Het deel van de “dorpsgrave” tussen de Waaldijk en het eerste sluisje werd daardoor de Binnenboomse wetering genoemd. Al in de 15e eeuw werden er ook enkele dwarsweteringen en sloten gegraven, die direct of indirect uitmondden op de Binnenboomse wetering. Het was een modern aandoend systeem van waterbeheersing geworden, dat het mogelijk maakte bij droog weer het water vast te houden en bij hoge waterstanden de overlast te verdelen.

Vlondertjes

Tiel Oost bleef daardoor een gebied met een hoofdwatergang en secundaire waterleidingen, die allemaal boordevol liepen bij hoge rivierstanden, maar ook dan nog altijd overgestoken konden worden met de befaamde vlondertjes. Dat het gebied permanent hoge grondwaterstanden had, bleek ook zijn voordelen te hebben. In de tweede helft van de 19e eeuw zochten twee ondernemingen – Daalderop en De Betuwe bewust dit gebied op omdat men er altijd gemakkelijk aan water kon komen voor het koelen van de stoommachines en het verwerken groente en fruit. De miljoenen liters water, die nodig zijn geweest om de potjes “jam van Flipje” te maken kwamen niet uit de reguliere waterleiding dat bij de aanpalende watertoren werd opgepomp, maar uit een eigen leidingensysteem voor het gehele Betuwe-terrein. Er waren diverse ondiepe welputten en als er daarvan een droog kwam te staan, werd de pomp naar een andere put verplaatst.

De Binnenboomse wetering (en het verlengde daarvan tot aan de Linge, dat meestal Kellense wetering heette) bleef heel lang in beheer van Zandwijk. Aanvankelijk moesten de aangelanden zorgen voor het onderhoud ervan en dat leidde nogal eens tot processen die steevast uitmondden in een boete voor de nalatigen. Want Zandwijk had door zijn betrekkelijk hoge ligging en zavelige gronden veel vruchtbare akkers, zodat de oude dorpsgrave van levensbelang was voor de bevolking. In de 18e eeuw werd het onderhoud “gemeen gemaakt”, dat wil zeggen aanbesteed door de heemraden/schepenen van Zandwijk.

Dorpspolder

Van grote betekenis was de invloed die het stadsbestuur van Tiel van lieverlede kreeg op het bestuur van Zandwijk. Uiteindelijk was daardoor een van de Tielse burgemeesters ambtshalve voorzitter van het Zandwijkse schepenbestuur. Dat bleef zo nadat Nederland (in 1815) een koninkrijk was geworden en Tiel met Zandwijk één burgerlijke gemeente werd. Voor het waterstaatsbeheer werden afzonderlijke publiekrechtelijke lichamen in het leven geroepen die nu ook officieel dorpspolders heetten. De Tielse voorzitter van de polder Zandwijk was decennia achtereen een Van Lidth de Jeude, die als grootgrondbezitter dezelfde belangen had als de akkerbouwers, tuinders en veetelers in dit gebied. Als het althans om waterstaatsbelangen ging.

Dat veranderde radicaal toen in 1853 mr C.C. van Lidth de Jeude als burgemeester van Tiel werd opgevolgd door Jhr Reuchlin. Die bleef nog wel enkele jaren samen met de “poldermeesters” schouw voeren, maar al snel kozen de Zandwijkse geërfden uitsluitend de locale grondbezitters tot bestuurders. De tegengestelde belangen zorgden vanaf die tijd tot bittere verhoudingen en een bijna een eeuw durende machtsstrijd, die verstrekkende gevolgen zou hebben.

Industrie

Het stadsbestuur stond nu con amore achter de industralisatie en zowel Daalderop als De Betuwe hadden niet alleen Zandwijk opgezocht om de overvloedige aanwezigheid van schoon water. Ze konden ook lozen op de Binnenboomse wetering. De zeventig woningen van de Hoogendijkstichting, die daar in 1860 werden gebouwd en waarin geen bedrijf mocht worden uitgeoefend, konden nog zonder enig probleem lozen op de wetering, maar het zelfreinigend vermogen daarvan werd volledig om zeep geholpen toen daarop bedrijven gingen lozen die vooral voor het schoonmaken van fusten en tanken giftige chemicaliën gebruikten.

De situatie was vrij gecompliceerd in de 19e eeuw. Het Gelders Waterschapsregelement legde de volledige verantwoordelijkheid voor het beheer van het oppervlaktewater (waar ook het vee uit moest kunnen drinken) bij de dorpspolders – die onder toezicht stonden van de polderdistricten, i.c. dat van de Neder-Betuwe. Voor het aanleggen en gebruiken van riolering was de gemeente verantwoordelijk. De capiciteit van die eerste rioleringen in Tiel-Oost was zeer gering en het stadsbestuur trachtte het lozen van chemische stoffen daarop te verbieden. In Tiel was men dus onvoldoende bereid of in staat op te treden tegen het lozen van grote hoeveelheden bedrijfsafval op de Binnenboomse wetering. In 1876 toen de gemeente een terrein aan de Staartsestraat had aangekocht voor de berging van bagger uit de stadsgrachten was het stadsbestuur nog wel bereid mee te betalen aan het uitdiepen van Dode Linge om die bevaarbaar te houden voor de baggerschuitjens, maar voor het schoonmaken van de Binnenboomse weteringen klopte “de polder” vergeefs bij de gemeente aan.

Gezondheid

Vanaf 1900 werd er door de gemeentelijke Gezondheidscommissie zo ongeveer jaarlijks geklaagd over de vervuiling van het oppervlaktewater als veroorzaker van allerlei nare ziekten. Daarbij werd vaak met nadruk gewezen op de Binnenboomse wetering, waarbij ondertussen honderden arbeiderswoningen waren gebouwd. Even leken de verhoudingen beter te worden toen de gemeente van de dorpspolder Zandwijk in 1930 “de passen” aan de Echteldsedijk had gekocht om daar een nieuwe vuilnisstortplaats van te maken (en woonwagenstandplaatsen). Het polderbestuur hield vast aan een besluit om die gronden slechts te verkopen onder de conditie dat de gemeente de Binnenboomse wetering zou gaan onderhouden. Enkele jaren later kwamen plannen in de gemeenteraad om die Binnenboomse wetering samen met de Dode Linge schoon te gaan maken en uitgraven in werkverruimingsverband. Maar het project werd door de rijksoverheid afgewezen omdat het Gelders Rivierpolderregelement de verantwoordelijkheid voor afvoercapaciteit bij de waterschappen had gelegd.

Juist in die jaren escaleerde het probleem doordat de vervuiling van de Binnenboomse wetering de gemeentegrenzen overschreed. In 1934 constateerde de Lingestoel – de rechtsvoorganger van het in 1953 opgerichte  Waterschap van de Linge – dat er telkenmale als bij de NV De Betuwe de boel goed werd schoongemaakt omdat de nieuwe oogst eraan kwam, de Linge bij Djoerang en de Hamse Brug vol dreef met dode vissen. Dat was het begin van een felle strijd tussen Tiel en “de polder”, waarover het stadsarchief weinig bewaarde maar in de archieven van de waterschappen bergen materiaal te vinden zijn. Al vóór de Tweede Oorlog trachtte de Lingestoel de NV de Betuwe te verplichten een zuiveringsinstallatie te bouwen, maar volgens de gemeente liet de economische situatie dat niet toe en na 1945 moest alle beschikbare materiaal ingezet worden voor de wederopbouw. Ongeveer datzelfde gold voor Daalderop, het bedrijf dat in 1940 zoveel chroom loosde op de Binnenboomse wetering dat de vissterfte, die daarvan het gevolg was, ook in Geldermalsen en Deil te merken was.

Vuile troep

Nu werd Tiel zowel vanuit Gorinchem als Geldermalsen bestookt. Het college van B&W van Gorinchem deed al in 1934 een beroep op de collegabestuurders van Tiel “een eind te maken aan het lozen van de vuile troep op het mooiste riviertje van Nederland”. De felste beschuldigingen aan het adres van Tiel kwamen echter uit Deil en Culemborg en wel van de dijkgraaf mr Kolff (sr) en de nog kleurrijker mr Sillevis – voorzitter en secretaris van de Lingestoel. Al in 1943 stookte Sillevis het bestuur van de Hengelsportvereniging Onder Ons op Tiel voor de rechter te dagen als veroorzaker van een grote vissterfte. Zijn rapporten aan G.S., waarin hij Tiel afschildert als de grootste boosdoener aller tijden, spreekt van een bandeloze bevolking die het water verziekt, en o.a. aankondigt dat op 1 juli 1949 de Dode Linge en daarmee de Binnenboomse wetering zou worden afgedamd, roepen om het taalgebruik nog altijd verbazing op. Tiel bad om uitstel omdat er in 1950 een zuiveringsinstallatie op het Daalderopterrein gereed zou zijn. Daar kwam niets van terecht, volgens Sillevis, zodat de zuivering in feite bestond uit het ledigen van de vervuilde chroomtanken in tankwagens, die men liet leeglopen op de op de stortplaats aan de Echteldse dijk.

De anti-Tiel campagne kreeg een gevolg toen het college van GS in 1953 het Waterschap van de Linge in het leven riep en de Staten voorstelden voor de zetel daarvan een ‘Lingehuis” te bouwen in Tiel. Sillevis en de zijnen bestookten de Statenleden echter om hen te overreden het gebouw in elk geval niet in Tiel en bij voorkeur in Geldermalsen te situeren. Vergezeld van het KVP-kamerlid Jo van Koeverden, vaste tegenspeler van Kolff, deed burgemeester Cambier van Nooten hetzelfde ten faveure van Tiel. Vergeefs; de meerderheid koos voor Geldermalsen.

Moerriool

De teleurstelling daaromtrent was mogelijk van invloed op de besluiten die de raad van Tiel in deze jaren nam op instigatie van de ook nogal eigenzinnige directeur van gemeentewerken Job van Eijk. Er werd gekozen voor het dempen van de Binnenboomse wetering en alle zijtakken ervan en riolering aan te leggen waarop geheel Zandwijk zou moeten lozen. Vanuit Tiel-Oost zou, dwars door de stad en de nieuwbouwwijken heen een moerriool komen waardoor het effluent van de riolering grotendeels via natuurlijk verhang naar Zennewijnen zou vloeien. Daar moest een zuiveringsinstallatie komen, die rechtstreeks op de Waal zou lozen. Tiel zou daarmee verlost worden van de invloed die polderbestuurders zoveel jaren op de waterbeheersing in de gemeente Tiel hadden uitgeoefend.

Het bestuur van de dorpspolder Zandwijk, dat ervan uitging dat de aan te leggen riolering onmogelijk alle kwelwater kon afvoeren, reageerde furieus en deed een dringend (en vergeefs) beroep op de gemeenteraad om de oude watergangen intact te laten. Ook het polderdistrict Neder-Betuwe, waaronder Zandwijk ressorteerde, weigerde de plannen goed te keuren maar had niet de juridische macht uitvoering ervan tegen te houden. Maar in de Gecombineerde Vergadering van de Neder-Betuwe besteedde dijkgraaf jhr Van Beekhoff – die andere opvattingen had dan Sillevis en ook in zijn taalgebruik uitermate beschaafd bleef – uitvoerig aandacht aan de problematiek. Het gemeentebestuur van Tiel miste z.i. de nodige ervaring. Van Beekhoff richtte zich nadrukkelijk tot de secretaris en ook tot mij: “zet dat maar in de notulen en graag ook in de krant: Ooit zullen ze hierop terugkomen“.

De aanleg van het moerriool vergde jaren en in elk geval voldoende tijd om de bewoners van Zennewijnen, aan wie niets gevraagd was, wakker te schudden. Al direct nadat in begin 1978 een nieuwe raad was aangetreden waarin het buitengebied sterker was vertegenwoordigd dan ooit te voren, werd daar een actiegroep “Geef ons de Vijf” opgericht. Onder leiding van mevrouw Bosschaart werd een felle actie gevoerd om de “stinkinstallatie” te weren uit het groene, mooie en rustige Zennewijnen. De raad zwichtte voor die actie en besloot dat de zuiveringsinstallatie niet in Zennewijnen, maar op Kellen moest worden gebouwd. Maar het moerriool naar Zennewijnen lag er toen al, zodat daar toen een opjaaggemaal moest worden gebouwd met een nieuwe leiding om het riooleffluent weer terug te pompen (‘de hucht op’) naar het Amsterdam-Rijnkanaal.

In 1981 mocht mevrouw Bosschaart de eerste paal slaan voor de zuiveringsinstallatie die loosde op het Amsterdam-Rijnkanaal. Dat kwam onder beheer van het Zuiveringsschap dat weldra tot de significante conclusie kwam, dat bij hoge rivierstanden de te zuiveren rioolinhoud voor 90% bestond uit schoon water. Kwelwater dus, grotendeels afkomstig uit Tiel-Oost, dat via een lange U-bochtconstructie weer in de naaste omgeving terechtkwam.

Watersnood

Het kwelwater in Tiel-Oost werd in de eerste dagen van 1995 de directe aanleiding voor de evacuatie van Tiel en omgeving. Ook het jaar tevoren was de Waal al sterk gewassen en de gemeente Tiel had in verband met de plannen voor dijkverzwaring intensieve contacten met de dijkstoel van het polderdistrict Tielerwaard in Geldermalsen. Toen de situatie precair werd en begonnen zou worden met het evacueren van laaggelegen gebieden, werd in Tiel in allerijl een crisiscomité ingericht. Het toeval wilde dat geen van de leden daarvan wist dat de gemeente Tiel in twee polderdistricten lag en dat Tiel-Oost tot het in Elst zetelende polderdistrict Elst behoorde. Dat polderdistrict had de dijk van Tiel-Oost al in 1970 verzwaard, zodat voor dat dijkvak in de jaren 1994/95 geen “bijzondere riviercorrespontie” gold. Dat betekende in de praktijk dat dit dijkvak op geen enkele wijze bewaakt werd.

Vanuit het Tielse crisiscentrum was er voortdurend telefonisch contact met de dijkgraaf van de Tielerwaard, Jacob de Jong. Juist toen die had verteld zich zorgen te maken over het “dijkvak beneden het kanaal” kwam er iemand opgewonden vertellen dat het water in Tiel-Oost over de straat liep. Het crisiscomité ging ervan uit dat de dijk beneden het Amsterdam-Rijnkanaal dreigde te breken, terwijl De Jong de dijk beneden het Amsterdam-Rijnkanaal had bedoeld. In overleg met de commissaris van de koningin werd toen besloten Tiel te evacueren. De dijkgraaf van de Neder-Betuwe, Hans van Leeuwen, die zich zorgen maakte over allerlei dijkvakken, maar niet over Tiel-Oost, hoorde via Radio Gelderland dat Tiel moest worden ontruimd omdat “zijn dijk” dreigde te breken. Hij kwam opgewonden naar het crisiscentrum in Tiel maar kreeg daar te horen dat ze niks te maken wilden hebben met die boer uit de Over-Betuwe. De man was echt kwaad.

Kwelschermen

Het is tussen beiden – het stadsbestuur van Tiel en de dijkstoel van de Neder-Betuwe – niet meer goed gekomen. Het waterschap nam al snel op weinig subtiele wijze wraak. In de bouwvergunning voor appartementencomplexen aan de Echteldse dijk was bedongen dat er een kwelscherm geplaatst zou moeten worden in de dijk tussen de stad en de watertoren – de helft van de dijk die Tiel-Oost beschermt. Tijdens de “watersnood” in januari 1995 maakte de rijksoverheid geld vrij voor de dijken en het polderdistrict Neder-Betuwe kreeg toen van minister Jorritsma geld voor een kwelscherm in de andere helft van de dijk. In de beschikking stond echter dat het ging om de dijkvak tussen Tiel en de wateroren. Zonder enig overleg met Tiel heeft het waterschap toen doodleuk in de andere berm van hetzelfde dijkvak een tweede kwelscherm laten aanbrengen. In de ene helft van de dijk zitten nu twee kwelschermen en de andere helft moet het zonder stellen.

Er is sindsdien veel veranderd. De dorpspolders waren al lang vóór 1995 opgeheven. Sindsdien zijn de polderdistricten samengevoegd tot het Waterschap Rivierenland. Dat heeft ook de taak van de Zuiveringsschappen op zich genomen en een groot kantoor gebouwd in Tiel. Bij dat waterschap behoren ook grote delen van Zuid-Holland.

Maar de voorspelling van Van Beekhoff is uitgekomen. De problematiek van het kwelwater in Tiel-Oost is nog steeds niet opgelost. Echt hoog water is er sinds 1995 niet meer geweest maar ook als het water maar een paar meter in het winterbed staat, komt het kwelwater in Tiel-Oost omhoog door de straatkolken. Er zijn tijdelijke oplossingen gecreëerd – het terugpompen van het kwelwater uit een wijkje naar de Waal – een pomp naar de Prins Bernhardsluizen etc. etc. Er zijn studiegroepen geweest, dure onderzoekscommissies aan het werk gezet en eindeloze conferenties gehouden. Dat heeft al een berg geld gekost. Maar een echte definitieve oplossing laat nog op zich wachten.

Diefdijk

Die wordt gehinderd door het opwerpen van een oeroude belemmering: als er teveel water is in Gelders gebied, mag dat niet meer naar Hollands gebied gelost worden. Tiel kan dan niet meer lozen op de Linge. De Diefdijk, vele eeuwen geleden aangelegd om Gelders water van Hollands gebied te weren, gaat weer dicht (i.c. de Arkelse sluis) als de Linge teveel water aanvoert. Men kan zich afvragen of dat, historisch gezien, rechtvaardig is. Want Tiel en de Betuwe hebben eeuwenlang meebetaald aan peperdure voorzieningen die het mogelijk maakten de Linge uit te pompen op de Merwede. Maar in Leerdam, Gorinchem e.a. zijn veel dure huizen gebouwd in de winterbedding van de Linge en in het bestuur van het Waterschap prevaleren de belangen daarvan nu eenmaal boven die van Tiel-Oost. Bovendien geldt tegenwoordig in de gehele stroomgebieden van de grote rivieren dat “gebiedseigen” water in de eigen omgeving opgevangen moet worden.

Door het sluiten van de Arkelse sluis, komen nu, als de Linge veel water afvoert eerst de z.g. Kooise Meren en daarna andere laaggelegen gebieden van de gemeenten Geldermalsen en Culemborg blank te staan. En dan damt de polder alsnog – figuurlijk althans – de Dode Linge af. Er wordt dus gezocht naar-  en gewerkt aan waterbergingslocaties in Tiel-Oost. En laat dat nou precies dezelfde plekken zijn, waar de bewoners van Zandwijk zes eeuwen geleden stuwtjes maakten om het water vast te houden ! Dat is niet zo gek als het lijkt – het water stroomt nog altijd van hoog naar laag en in het verleden ligt het heden.

Dezelfde RAF- foto met enige aanduidingen ter oriëntatie.Dezelfde RAF- foto met enige aanduidingen ter oriëntatie.Stukje uit de gerichtssignaten van 1456 waarin gewag wordt gemaakt van de DorpsgraveStukje uit de gerichtssignaten van 1456 waarin gewag wordt gemaakt van de DorpsgraveIn de terminologie van de Rijkswaterstaat is de Binnenboomse wetering een tochtsloot - een deel van de rivierkaart uit 1866. De Hoogendijkstichting moet dan nog gebouwd worden.In de terminologie van de Rijkswaterstaat is de Binnenboomse wetering een tochtsloot – een deel van de rivierkaart uit 1866. De Hoogendijkstichting moet dan nog gebouwd worden.Twee kaarten uit het waterschapsarchief waarop de Binnenboomse wetering en de bebouwing daaraan is getekend.Twee kaarten uit het waterschapsarchief waarop de Binnenboomse wetering en de bebouwing daaraan is getekend.Een brief die de Hengelsportvereniging Onder Ons op aanstoken van Sillevis in 1943 aan het stadsbestuur stuurdeEen brief die de Hengelsportvereniging Onder Ons op aanstoken van Sillevis in 1943 aan het stadsbestuur stuurdeEen luchtfoto van het gebidEen luchtfoto van het gebidTijdelijk gemaaltje in de Echteldsedijk, dat kwelwater moet uitslaanTijdelijk gemaaltje in de Echteldsedijk, dat kwelwater moet uitslaanWateroverlast in de ZwaluwstraatWateroverlast in de ZwaluwstraatKwelwater dat door de straatkolken omhoog komtKwelwater dat door de straatkolken omhoog komtDe jeugd kan het kwelwater wel waarderenDe jeugd kan het kwelwater wel waarderenHet gebied aan de Spoorsingel dat op 21 februari 1945 blank stond en nu door het Waterschap voor waterberging wordt ingericht.Het gebied aan de Spoorsingel dat op 21 februari 1945 blank stond en nu door het Waterschap voor waterberging wordt ingericht.

Comments
Loading...