De laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog in Tiel: deel 14

 

Evacuatie van Tiel naar Friesland in januari 1945

Deel 2 De treinreis, aankomst en eerste dagen op eindbestemming

De reis van station Zeist-Driebergen en Utrecht naar het hoge noorden duurde vaak 12 uur en voor sommige groepen nog veel langer. We zagen in de vorige aflevering dat het eerste deel dat te voet moest worden afgelegd onvoorstelbaar moeilijk was. Vijf evacués hebben dat deel van de reis niet overleefd. Ook de treinreis was zacht uitgedrukt geen pretje. Wanneer je de verslagen over deze reis leest, kunnen we ons voorstellen hoe de Joden geleden moeten hebben toen zij vanuit Westerbork meerdere dagen onder dezelfde of nog moeilijker omstandigheden onderweg waren naar de vernietigings- en werkkampen in Polen.

In Friesland

In Friesland komen de meeste Tielenaren aan op station Leeuwarden. Voor enkelen is het station in Sneek de eindbestemming. Bijna iedereen is aan het einde van zijn Latijn. Velen, waaronder ook ouderen en zwangere vrouwen hebben de reis staande in een veewagen af moeten leggen.

Vanaf het station In Leeuwarden gaan de vluchtelingen eerst naar de cafés, rond de Veemarkt, of een van de grotere zalen elders in de stad. Daar wacht hen een eenvoudige maaltijd. De nacht wordt in dezelfde ruimte doorgebracht. Bedden zijn er niet wel een laag stro. De volgende dag volgt dan een medische keuring om eventuele overdraagbare aandoeningen te ontdekken. Een flink deel komt niet goed door de keuring. Zij worden hardhandig gereinigd met harde borstels en groene zeep. En worden vervolgens naar een barak voor besmettelijke ziekten gebracht. De ‘goedgekeurden’ gaan naar enkele scholen waar het ook niet prettig toeven is. Deze doorgangslocaties zijn overvol, hebben vieze toiletten, vervuild stro op de slaapplaatsen en het stikt er van de luizen en vlooien. Aan alles, waaronder voedsel en medicijnen is gebrek. Om het ongedierte te beteugelen wordt bij vrouwen en meisjes het lange haar afgeknipt.

In Leeuwarden zetelt de zogenaamde indelingscommissie. Die bepaalt waar de evacués heengaan. Is het Leeuwarden zelf? Dan wordt meteen een adres genoemd. Buiten Leeuwarden gaan lokale commissies of een persoon over de verdeling. In Leeuwarden en in de overige plaatsen is al veel voorbereidend werk gedaan zodat de toewijzing aan Friese gezinnen redelijk snel gebeurt. In Munnekezijl gaat de verdeling minder prettig. Daar worden de Tielenaren naar een kerk gebracht, waar de locals het aan hen toegewezen aantal Tielenaren mag uitzoeken. De toen veertienjarige Wilma Robbertsen van de Hoveniersweg heeft er slechte herinneringen aan: “We werden als vee gekeurd, Vier van de zes leden van het gezin worden al snel uitgekozen. Maar mijn zwangere moeder en jongste zusje zijn nergens welkom.”

Iedereen blij maken lukt niet. Soms worden gezinnen uit elkaar getrokken en de leden op grote afstand van elkaar gehuisvest. Later worden die pijnpunten vaak wel weer rechtgetrokken. Mannen en vrouwen die kunnen helpen op de boerderijen zijn geliefd. Veel knechten zijn immers in Duitsland tewerkgesteld. Ouderen hebben het liefst een leeftijdgenoot in huis en welgestelden willen mensen van een gelijk niveau. Over het algemeen lukt het aardig om het uiteindelijk iedereen naar de zin te maken. In de loop der tijd ontstaan er hechte vriendschappen en ook meerdere liefdesrelaties tussen Friezen en Tielenaren, waarvan er verschillende resulteren in een later huwelijk. Maar lang niet overal klikt het. Soms helpt dan een overplaatsing. Tielenaren die weinig om handen hebben beginnen zich al snel te vervelen. In het begin zijn er soms ook taalproblemen. Het blijkt erg moeilijk communiceren tussen Tielenaren die alleen maar echt Tiels spreken en Friezen die op hun beurt gewend zijn om Fries te spreken. Verschil van geloof levert anders dan bij een eerdere evacuatie van Tiel naar het orthodoxe Alblasserwaard weinig problemen op. Een keer maakt een dominee zich zorgen over een relatie tussen een katholieke Tielenaar en een gereformeerde Friese. Maar dat blijft een probleem van de dominee. De wederzijdse ouders zien er geen probleem in.

Het in huis nemen van evacués is geen vrijwillige keuze. Het is wettelijk verplicht. Gastgezinnen krijgen voor die tijd een redelijke vergoeding voor hun evacués. Evacués met een vluchtelingenstatus konden rekenen op medische hulp en verzorging. Zij waren automatisch lid van het ziekenfonds. Kinderen gingen in Friesland veelal naar de lagere school. Ook over het eten hebben de Tielenaren niets te klagen. Dat is er voldoende in Friesland. In het boek Tiel op de Vlucht van Irene Nieuwenhuijse staan tal van ervaringsverhalen van Friezen en Tielenaren tijdens de evacuatieperiode.

Mijn conclusie: De Friezen hebben de Tielenaren doorgaans prima opgevangen en naar vermogen geprobeerd hen een prettig verblijf te geven. Dat blijkt ook uit de vele Tielenaren die na de oorlog nog eens en soms zelfs periodiek teruggingen naar hun gastgezin. Van 1946 tot en met 1966 werden er door J. Nijhof jaarlijks zogenaamde kersentochten naar Friesland georganiseerd. Tielenaren en inwoners van Roermond tonen hun dankbaarheid door een glas in loodraam te schenken aan de Dominicuskerk in Leeuwarden. Munnikezijl krijgt een bank met inscriptie van Tielenaren. Het gemeentehuis van Menaldum wordt verrijkt met een schilderij dat evacués uit Tiel en Venlo samen aanbieden.

In heel Friesland, dat toen ongeveer 450.000 inwoners telde, waren naar schatting 70 tot 80.000 evacués. Die kwamen behalve uit het Rivierengebied ook uit andere delen van Nederland. Niet iedereen kwam daar per trein gezamenlijk aan zoals de Tielenaren. Uit de Randstad kwamen mensen te voet in de hoop in Friesland aan eten en onderdak te komen. Er waren ook ouders uit het nog bezette westelijk deel van Nederland die hun kinderen uit pure wanhoop – er was daar vrijwel niets te eten – op goed geluk naar Friesland stuurden. De overheid in Friesland zorgde voor opvang en het onderbrengen van deze kind evacués. Ook NSB-ers die het einde van de bezetting aan zagen komen en het te heet werd in eigen stad of dorp verkasten vaak naar het verre Noorden.

De evacuatie was geen kwestie van dagen. Na de bevrijding bleef het zwaar beschadigde Tiel nog enkele weken ontoegankelijk. Hoofdoorzaak was het ontbreken van drinkwater.

Hoe verging het onze dagboekschrijvers?

Bernard Bruggeman kon in Culemborg in zijn flatje blijven.

De familie van Dee weet op eigen initiatief onderdak in Acquoy te vinden. Veel spullen weten ze vooraf naar kennissen in Wadenoijen te brengen. Daar verblijven ze ook zelf even. Koortsachtig zoeken ze naar een voerman, die hen een stuk wil wegbrengen naar het evacuatieadres bij een dominee in Acquoy. Die zoektocht levert geen resultaat op. De afstand wordt lopend met een overnachting in Tricht afgelegd. In Acqoy treft de familie het goed. Probleem is dat ze geen bonnen krijgen maar dat lost de dorpsgemeenschap op.

Lies ten Bokkel Huinink gaat met haar vader en moeder naar familie in Schoonrewoerd. Een deel van het huisraad wordt opgeslagen bij een patiënt van haar vader in Erichem. Een ander deel op de zolder van het Ambtmanshuis.

De ouders van Eva Jansen hebben zelf een evacuatieadres bij verwanten in Amersfoort gevonden. Het lukt ze niet om daar te komen. Ze stranden bij een boerenfamilie in Ravenswaaij. Daar kunnen ze voorlopig blijven. Ze hebben het er gezien de omstandigheden goed.

Geraadpleegde bronnen:

  • Irene Nieuwenhuijse, Tiel op de vlucht, Tielse evacués welkom in Friesland, Van Eck &Oosterink uitgevers
  • De dagboeken ‘Houdt goede moed’, ‘Waar blijven de Tommies’ en het oorlogsdagboek van Eva Jansen.

In de volgende aflevering doen we verslag van wat er ondertussen in de tweede helft van januari in Tiel nog meer gebeurde.

Comments
Loading...