Burgemeester

Tiel heeft nu haar achtste naoorlogse burgemeester. Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog was dat Klaas Cambier van Nooten, die in april 1957 afscheid nam. Na hem kwamen in 1957 Andries Stolk, in 1968 Gielus Borrie, in 1973 Klaas Broekens, in 1981 Jaap Pop, in 1989 Ed van Tellingen, in 2003 Steven de Vreeze en in 2012 Hans Beenakker. Van hen was Cambier van Nooten nog het meest burgervader in de klassieke zin van het woord. Hij werd door de Tielenaren (verreweg de meeste althans) op de handen gedragen. Merkwaardig is dat zijn aanzien bij wat weleer de ‘hogere overigheid’ heette daaraan omgekeerd evenredig was. Dat gold met name voor het provinciaal bestuur en werd vooral gevoed doordat de burgemeester van Tiel partijloos was en dit ook zo wilde houden.

In het Gelderse provinciehuis was na de oorlog de KVP als een soort Phoenix van de minder succesvolle RKSP, uit zijn as herrezen en verreweg de machtigste partij geworden. Dat werd vooral uitgedragen door twee coryfeeën: Chris Matser burgemeester van Arnhem en partijvoorzitter in de staten van Gelderland en zijn huisvriend Joop IJsselmuiden, ook Arnhemmer en lid van Gedeputeerde Staten. De eerste liet geen gelegenheid voorbijgaan om van zijn volkse komaf te getuigen en had een groot wantrouwen tegen alles wat naar adel of vrijmetselarij riekte. Van titels moest hij niets hebben terwijl de eenvoudige Tielse burgemeester een dubbele naam had en zijn echtgenote Van der Hardt Aberson schreef. Gedeputeerde IJsselmuiden was een indrukwekkende man, die met zijn forse gestalte, witte sik, dito manen en weidse jas deed denken aan de Wibaut, waarover Borrie een boek schreef. Hij deelde zo ongeveer alle opvattingen met Matser. Voor de minder invloedrijke statenleden waren de twee KVP-ers dan ook twee handen op één buik.

Het moet 1951 of daaromtrent zijn geweest, toen het nogal op publiciteit verzotte duo ‘lekte’ dat er een groot plan in de maak was voor een nieuwe verbindingsweg tussen Veenendaal en Oss met als een van de eerste schakels daarin een moderne vrijvarende pont in Ochten. In Tiel sloeg het bericht van De Gelderlander in als een bom. De verkoop van veerkaartjes was in die jaren nog een van de belangrijkste inkomstenbronnen van de gemeente – de exploitatie van ‘het drukste veer van Gelderland’ had in 1951 nog ruim 140.000 gulden netto opgeleverd. Tiel had via het eeuwenoude veerrecht het monopolie op het overzetten van mensen, dieren en voertuigen op de Waal tussen Nijmegen en Bommel. Dit kon dus niet waar zijn. Om daarover zekerheid te krijgen stuurden de wethouders – Willem en Wimke – niettemin de burgemeester naar Arnhem om eens poolshoogte te nemen.

In Arnhem werd Klaas ontvangen en minzaam te woord gestaan door IJsselmuiden. Die sloeg hem enkele malen op de schouder en gaf hem de verzekering, dat Tiel niets te vrezen had en dat er voor de burgemeester geen redenen waren om zich ongerust te maken. Twee dagen later vertelde IJsselmuiden in de kantine van het provinciehuis smakelijk hoe de volkomen wereldvreemde burgemeester van Tiel een kat in een vreemd pakhuis bleek te zijn als het om de politiek ging. Hij had hem met een kluitje het riet in gestuurd en de eerste burger van Tiel had wel een kwartier nodig had gehad om hem daarvoor met de hoed in de hand te bedanken. Hij was volkomen gerustgesteld Tielwaarts getogen. Twee maanden later bracht het college van GS een voorstel in de staten om een nieuwe verbindingsweg tussen Veenendaal en Oss aan te leggen met als schakel daarin een moderne pont in Ochten.

Dit artikel werd eerder gepubliceerd op de Facebook pagina van Huub van Heiningen.