De binnenstad van Tiel

In ontwerp-structuurvisie voor de binnenstad zijn veel waardevolle suggesties te vinden. Maar er staan ook irriterende fouten in en heel wat conclusies die om een critische kanttekening vragen. Een aanloop voor een discussie dus.

Duidelijk is dat de samenstellers de opdracht hadden naar een bepaalde conclusie toe te schrijven – Tiel moest fruitstad worden met Flipje als mascotte. In een eerdere versie stond dan ook dat “de Betuwe” in de vorige eeuw de belangrijkste werkgever was, terwijl uit de cijfers blijkt dat in de metaalindustrie (tinverwerking en koperslagers) veel meer mensen hun brood verdienden. Nu is “de Betuwe” dus gedegradeerd tot “een belangrijke industrie”.

De keuze voor Tiel als fruitstad is op zich natuurlijk best te verdedigen, maar als je dan (zoals in deze visie gebeurt) nogal eenzijdig focust op het fruitig verleden van Tiel is het vreemd dat er geen letter gewijd wordt aan het veilingwezen. Want als Tiel ooit fruitcentrum van de Betuwe was, dan was dat op de eerste plaats te danken aan de twee fruitveilingen.

Als het om kennis van de geschiedenis bij onze politici gaat blijft het trouwens knudde. De kaart van Blaeu op pagina 8 is zeker niet van vóór 1646 ( = 1652); de kaart van Jacob van Deventer op pagina 9 is echt niet van 1900 ( = plm 1560) en de bewering dat Tiel stadsrechten kreeg van de bisschop van Utrecht is werkelijk  onzin. En wat op de Markt staat is geen waterput maar een waterpomp. Niet het Kantongerecht en het Stadhuiscomplex maar het Gerechtsgebouw en het Ambtmanshuis herinneren aan de rijke historie van Tiel.

Terecht wordt gesteld dat de op het Plein uitkomende achterkanten van de “pijpenladen” in de Weerstraat als magazijnen moeten worden bekeken. Maar waarom zou dat niet ook gelden voor precies dezelfde pijpenladen aan de Waterstraat die op de Oliemolenwal uitkomen ? Waarom moet hier de woonfunctie ook visueel meer accent krijgen terwijl nu juist deze grachtkant met zijn kelders in de walmuur het belangrijkste deel zou kunnen worden van de elders in de visie  veelgeprezen “lommerrijke wandeling” ?.  

In 1995 kreeg Tiel een door prof. Heeling ontworpen bestemmingsplan voor de binnenstad, dat gebaseerd was op een breed draagvlak onder de bevolking. Dat heeft zijn tien jaar niet vol kunnen maken omdat een nieuw college van B&W van mening was dat er in de binnenstad een verdieping hoger gebouwd zou moeten worden. Dat was, zo zou weldra blijken, vooral ten gerieve van een bouwer, die inderdaad op diverse plaatsen de straatwand heeft verhoogd. Met name de toenmalige Milieuwerkgroep heeft hiertegen vergeefs geägeerd. In de nieuwe visie krijgen de bezwaarmakers van toen alsnog gelijk: enkele straten in de binnenstad krijgen geen zonlicht meer en “leveren een sombere woonkwaliteit”.

Hetzelfde geldt voor de steegjes tussen Plein en Weerstraat, die volgens het vorige college dicht moesten. Het waren – aldus de wethouder – rattengangen en open riolen die allerlei vormen van schavierigheid aantrokken. Behalve de Milieuwerkgroep was er slechts één raadslid, dat de betekenis ervan erkende en ze open wilde houden. In de nieuwe structuurvisie worden ze nu weer omarmd. Ze zijn essentieel voor de charme van een oude binnenstad en moeten dus weer open. Maar dat is niet zo gemakkelijk meer – soms staat nieuwbouw in de weg en daarenboven is hun status als openbare weg ingetrokken.

De gang van zaken geeft voedsel aan de cynische stelling dat bestuurd wordt vanuit de visie “na ons komt de zondvloed”. Wat zal er allemaal weer opnieuw verzonnen worden als de huidige wethouders van hun pensioen genieten ?

De woordkeuze is soms merkwaardig. Een zin (pag 19) als “Waalkade biedt ook ruimtelijke onmogelijkheden, omdat zij zeker één keer per jaar als overloopgebied voor het stijgende water in de Waal dient” deugt niet. Bedoeld wordt dat de Waalkade onderdeel is van het winterbed van de Waal, dat regelmatig onder loopt. De Burense poort heet ineens “de brug tussen de Burense Poort en de Hoogeindsestraat”. Zo is de begripsomschrijving ook op andere plaatsen vrij nieuw voor geboren en getogen Tielenaren.

Het voorstel om in een aantal straten het winkelvloeroppervlak terug te dringen om er woonstraten en “dwaalmilieu” van te maken zal met name verkeerd vallen in de Weerstraat, waar juist plannen worden uitgebroed om de straat als winkelstraat op te pimpen.  De vraag is ook of het wel reëel is te veronderstellen dat het omvangrijke dwaalmilieu met boetiekjes e.d. voldoende aantrekkelijk gemaakt kan worden.

Het Kalverbos heet de etalage van de binnenstad te zijn. Het zou interessant daar dan ook de contouren zichtbaar te maken van de machtige Sint Walburgiskerk, die daar ooit gestaan heeft.

Wijn schenken in de viswinkel en boekhandel. Er wordt voorzichtig gekozen voor een dergelijke functievermenging. die de vele horeca-ondernemers in Tiel de wenkbrauwen zal doen fronsen.

Tiel heeft, zo wordt gesteld, veel cultuurhistorische bezienswaardigen – de Dominicuskerk, de Sint Maarten en de stadsmuur zijn daaruit slechts een kleine greep. De ruime fotokeuze ondersteunt die keuze niet en monumentenzorg ontbreekt in de structuurvisie. Misschien wel omdat de gemeenteraad besloten heeft geen geld meer beschikbaar te stellen voor restauratie en onderhoud van particuliere monumenten. Kun je dan wel als gemeentebestuur hoog opgeven over het belang van monumenten voor de identiteit van Tiel?  Er worden heel wat goed en minder goed lopende volzinnen aan besteed.

Op pagina 37 staat “de Waalplaat beschikt ook na herinrichting nog over een ruim aantal parkeerplaatsen voor bezoekers aan de binnenstad”.  Dit is in strijd met hetgeen in de laatste raadsvergadering is medegedeeld.

Al dan niet critische opmerkingen op deze bijdrage worden op prijs gesteld.